Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.245
tot eigen voordeel te verkleinen, en daar bovendien de gang
der rechtspleging algemeen bekend was, verlangde geene van
beide partijen ernaar, hare wederzijdsche rechten schriftelijk
vast te 'stellen.
Evenals in de oude marken waren de rechtspraak en het
bestuur in de steden scherp van elkander gescheiden. Er
werd recht gesproken door schepenen, onder het voorzitter-
schap van een schepenmeester of schout, en evenals in de
verschillende deelen van groote marken trof men somtijds ook
in de verschillende wijken eener stad eene eigene rechtspraak
aan. Het stadsbestuur had voornamelijk voor het handhaven
van de inwendige rust, den stadsvrede, te waken, die zich
over de geheele stad uitstrekte, en wist eerst in latere tijden
de rechtsbedeeling aan zich te trekken. Uit die gekozen
hoofden , die in vroegere tijden het bestuur der mark, en in
latere dat der stad uitmaakten , zijn in vele steden langza-
merhand de burgemeesters en de stadsraad ontstaan; maai
het kostte menigen bloedigen strijd, vooral in de bisschop-
pelijke steden, eer het recht der burgers om zeiven burge-
meesters en een stadsraad te kiezen door den landsheer werd
erkend. Op den rijksdag, dien Frederik II in 1232 te
Ravenna hield, wist de geestelijkheid het besluit te doen
nemen , dat alle verkiezingen van burgemeesters en stadsraden,
die zonder toestemming der bisschoppen hadden plaats gehad,
ongeldig zouden zijn. De burgers stoorden er zich echter
niet aan en bleven den strijd voortzetten, tot dat aan hun
verlangen was toegegeven, en de vorsten aan de steden keuren,
handvesten of charters hadden geschonken, in welke de pri-
viligiën der stad waren omschreven. De rijkssteden ontvingen
ze vdin den koning, de vazal-steden van den graaf, heer,
enz., tot wiens leen de stad behoorde. In den regel was
het verleenen van keuren geene daad van genade, die de
landheer aan de stad bewees, maar eene erkenning van een
reeds bestaanden toestand. In eene keur van de stad Mainz
van het jaar 1135 is er zelfs sprake van de aangeboren