Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.237
radijn dien eigen en den volgenden dag werden onthoofd.
Karei van Anjou was echter niet in staat zich in het gan-
sche Italiaansche koninkrijk der Hohenstaufen te handhaven.
Vooral Sicilië had van zijne drukkende heerschappij te lijden.
Hij beval den Sicilianen zijne domeinen in heerendiensten te
bebouwen en zijn vee voor hem te voederen en te verzorgen, en
daarbij stelde hij de verplichte jaarlijksche opbrengst zijner
akkers en de vermeerdering van zijn vee vast. Daar boven-
dien zijne Transche ambtenaren de Sicilianen met trotschheid
behandelden en zich allerlei afpersingen veroorloofden om zich
te verrijken, ontstond er zulk eene algemeene ontevredenheid,
dat eenige aanzienlijken geheime betrekkingen aanknoopten
met Peter III van Arragon, den schoonzoon van Manfred.
De onderhandelingen werden geleid door Giovanni Di Procida,
een voormalig vriend, lijfarts en bestuurder der geldmiddelen
van Manfred. Hij was door koning Karei verbannen en van
zijne bezittingen beroofd en had als vergoeding daarvoor eenige
leenen in Arragon van Peter III gekregen. Nadat hij paus
Nikolaas III en den Byzantijnschen keizer Michael Paleolögus
voor zijne plannen had gewonnen, wist hij Peter III te bewe-
gen, eene vloot uit te rusten om de Sicilianen te ondersteunen,
zoodra zij tegen Karei van Anjou zouden opstaan. Peter III
nam den schijn aan, alsof hij een kruistocht tegen de Mo-
hammedanen wilde ondernemen en zond de vloot naar Bona
in Afrika, in de nabijheid van welke plaats zij het anker
liet vallen. Geheel onverwachts en zonder hulp der vloot
werden echter de Transchen van Sicilië verdreven. Het was
opPaaschmaandag van 1282, dat de vrouwen van Palermo,
vergezeld van hare echtgenooten, bloedverwanten of verloof-
den, ouder gewoonte, onder het luiden van 't vesperklokje
eene buiten de stad gelegen kapel gingen bezoeken, toen een
der Franschen, die zich onder de wandelaars bevonden, eene
Palermitaansche vrouw op onwelvoegelijke wijze bejegende.
Zij, die haar vergezelden, geraakten daardoor zóó buiten zich
zeiven van toorn, dat zij hun verborgen wapen trokken en