Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.229
zijn in de mannelijke en vrouwelijke linie, doch dewijl hij
hun verbood hunnen onderhoorigen lijfstraffen op te leggen
en zich zeiven recht te verschaffen, en op de landdagen niet
alleen geestelijken en edelen, maar ook afgevaardigden van
steden ter beraadslaging opriep, bracht hij de leenmannen
eenigszins tot den rang van vrije grondbezitters terug. Bo-
vendien veroorloofde hij aan de Mohammedanen en Joden de
vrije uitoefening van hun eeredienst, en schafte hij, met uit-
zondering voor enkele gevallen van het gerechtelijk tweege-
vecht, de ordaliën af.
Tijdens zijne afwezigheid had Frederik II de regeering
in Duitschland opgedragen aan zijn zoon Hendrik, onder het
toezicht van den vastberaden Engelbert, aartsbisschop van
Keulen. Zoolang deze leefde, werd de rust gehandhaafd,
maar toen hij gestorven was en de jeugdige Hendrik het oor
leende aan vleiers, onstonden er allerwegen woelingen. Op
bevel van den paus trok Koenraad van Marburg als groot-
inquisiteur (geloofsonderzoeker) door Duitschland om ketters
op te sporen. Was iemand door de inquisiteurs tot ketter
verklaard, dan werd hij aan den wereldlijken rechter over-
geleverd, die hem liet verbranden en zijne goederen verbeurd
verklaarde, ten voordeele van de aanbrengers, de inquisiteurs,
de rechters en de kerk. Dat door die verbeurdverklaring
der goederen de kinderen der ketters het meest werden ge-
straft, mocht niet in aanmerking genomen worden: God bezocht
immers ook de misdaden der vaderen aan de nakomelingen
tot in het derde en vierde geslacht! Honderden werden als
ketters veroordeeld en gevonnist, en menigeen wist door eene
aanklacht van ketterij een tegenstander of een gehaten persoon
uit den weg te ruimen. Dit bracht zulk eene algemeene
ontevredenheid te weeg, dat een groot aantal mannen Koen-
raad van Marburg en zijne handlangers overvielen en dood-
sloegen.
Ondertusschen leefde Hendrik geheel voor zijne vermaken.
Was hij niet op de jacht, zijne geliefkoosde bezigheid,