Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.227
zerlijken praefect van Eome, hem den leeneed te zweren, en
daarop haalde hij de bewoners van de mark Ancöna en van
het hertogdom Spolêto over, de hun door Hendrik VI op-
gedrongen vorsten te verjagen en hem als hun wereldlijk
hoofd te erkennen. Aldus werd door hem de wereldlijke
macht van den paus in den kerkdijken staat voor goed ge-
vestigd. Om zich van zijn steun te verzekeren ten behoeve
van haar zoon, deed Constantia afstand van al de voorrechten,
die de vroegere pausen aan de koningen van Napels hadden
geschonken, en erkende zij hem ook als leenheer voor Sicilië.
Het volgende jaar benoemde zij, kort voor haar overlijden,
Innocentius III tot voogd over haar vierjarig zoontje Frederik.
Otto IV, die zich aanvankelijk aan den wil van Innocen-
tius III had onderworpen en daarop door dezen te Eome
was gekroond, had de ontvangen waarschuwing, dat hij zijn
aanzien aan de kerk had te danken, en dat deze hem ook
weer ten val kon brengen, in den wind geslagen, en was
met den machtigsten der pausen in onmin geraakt. Frederik,
die ondertusschen den leeftijd van achttien jaar bereikt,
en zich eene voor die dagen bizonder uitgebreide kennis
eigengemaakt had, wenschte evenals zijn vader keizer van
Duitschland te worden. Hij werd in de uitvoering van zijn
verlangen gesteund door Innocentius III, wien hij onderworpen-
heid had beloofd, en begaf zich naar Duitschland. Zoodra
hij daar was verschenen, sloten zich eenige rijksvorsten bij
hem aan. Otto IV meende, dat hij het Apulische kind,
gelijk hij Frederik noemde, wel met stokslagen zou kunnen
wegjagen, doch weldra moest hij voor dat kind onderdoen.
Hij zag zich genoodzaakt, te Brunswijk zonder eenig aanzien
of macht te gaan leven, terwijl zijn jeugdige tegenstander als
Frederik II het bestuur over Duitschland in handen nam.
Om zich te kunnen handhaven achtte Frederik II het
noodig, Innocentius III te vriend te houden, en daarom
legde hij dezen schriftelijk de gelofte af, dat hij, terstond
na zijne kroning te Eome, Sicilië aan zijn zoon Hendrik