Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.206
bedaren te brengen, doch zijn pogen was vruchteloos, hij zag
zich verplicht, haar volgens de wet te laten onthoofden.
Om aan deze noodelooze slachting van menschen een einde
te maken, wendde Abderrähman zich tot den bisschop van
Cordöva met den eisch, dat deze zijn gezag zou aanwenden
om de Christenen te overtuigen, dat het verkeerd was, het
geloof van andersdenkenden zonder reden te bespotten. Hij
schreef hem: „Noch ik, noch één wel onderwezen Moham-
medaan kan die Christenen als martelaars beschouwen, welke
doelloos den dood zoeken, terwijl zij volle vrijheid hebben hunne
godsdienstleer openlijk te belijden." Daar echter de bisschop
niet in staat was de dweepzucht zijner geloofsgenooten te tem-
peren, meende Abderrähman krachtiger maatregelen te moeten
nemen. Hij verleende iederen Mohammedaan het recht, de
Christenen, die in hunne tegenwoordigheid den profeet belaster-
den, zonder vorm van proces te dooden. Het gevolg hiervan was,
dat vele Christenen naar de West Gothen in 't Noorden van
Spanje uitweken, en dat andere Spanje voor goed verlieten,
terwijl er ook waren, die veiligheidshalve den Islam aanna-
men. Het vervolgen der Christenen duurde ook onder Abder-
rahman's opvolgers voort, en dewijl dit gepaard ging met
verdeeldheid onder de Mooren zeiven, begon het rijk te kwij-
nen. Hiermede deden de West-Gothen, die tegen het einde
van de regeering van Abderrahman II (t 852) hun gebied
reeds weder tot aan den Doero hadden uitgebreid, hun voor-
deel. De Engelsche geschiedschrijver Buckle teekent de .West-
Gothen met de volgende woorden: „Dewijl hun doel niet
alleen was een grondgebied te heroveren, maar ook een geloof
te herstellen, was het natuurlijk, dat de geestelijken als ver-
kondigers van dat geloof hoog aanzien en grooten invloed
verwierven. In de legerplaats en in de raadzaal werd de stem
der geestelijkheid gehoord en gehoorzaamd; want daar de
oorlog de voortplanting van het Christendom beoogde, scheen
het rechtvaardig, dat de priesters eene voorname rol speel-
den in eene handeling, die hen vooral betrof. Daar het ge-