Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.13
Het grondgebied van Mekka werd uit eerbied voor de
Kaba als onschendbaar beschouwd. Niemand mocht er worden
aangerand, zelfs geen dier gedood, en jaarlijks stroomden er
uit verschillende streken scharen volks ter bedevaart heen.
In den tijd van Mohammeds geboorte was het oude geloof bij
de Arabieren geheel ontaard. Sommige bijgeloovigen aanbaden
fetischen, zooals een schoonen steen, dien zij op hun weg
vonden, een hoopje zand, dat zij opgeworpen en met kameel-
melk overgoten hadden, enz. De meerderheid was echter
verstandelijk te zeer ontwikkeld om aan goden van steen of
hout te gelooven. Uit gewoonte gingen zij op de bepaalde
tijden ter bedevaart om te offeren en de godspraak te raad-
plegen, maar het geloof in de goden was verdwenen. Men
raadpleegde het orakel om zijne uitspraak als eene verdediging
voor hetgeen men wilde bedrijven, te kunnen aanvoeren. Eens
ging iemand, die den moord, op zijn vader gepleegd, wilde
wreken naar een tempel om van de godspraak te vernemen,
of hij zijn voornemen ten uitvoer kon brengen. Het orakel
sprak door middel van drie pijlen, die h&vBl, vGfhod en
afwachtèn beteekenden. De man trok verbod, daarop trok
hij nog eens, en weder sprak het orakel verbod. Nu be-
proefde hij het voor den derden keer, en toen hij weder
hetzelfde antwoord kreeg, nam hij, in toorn ontstoken, de drie
pijlen, brak ze en smeet ze tegen den steenklomp, die tot
afgod diende, met de woorden : //Ellendeling, indien uw vader
vermoord was geworden, zoudt gij mij niet verboden hebben,
wraak te nemen!"
Het geloof aan de goden had in 't algemeen weinig te
beteekenen, en met den boven hen verheven Allah hielden de
Arabieren zich in 't geheel niet op. Behoefte hadden zij er
ook niet aan, want aan een leven na dit leven geloofden zij
in 't algemeen niet, en daarom hielden zij zich uitsluitend
met de zaken van dit leven bezig. Maar al hadden zij het
geloof aan de overgeleverde godsdienstleer verloren, zij lieten
haar voortbestaan uit eerbied voor hunne voorouders. De