Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.194
zoon Swetöslaw. Men verhaalt, dat zij door het aanleggen
van wegen en het trächtig handhaven der orde den bloei
der steden deed toenemen, en dat zij het Christendom was
toegedaan. Toen hij meerderjarig was geworden, werd
Swetöslaw tot grootvorst verheven. Hij bracht zijne gansche
regeering met oorlogvoeren door. Een paardedek was zijne
slaapstede, een zadel zijn hoofdkussen; zijn voedsel was paar-
denvleesch of wild, dat hij zelf boven een kolenvuur braadde.
Hij liet toe, dat Christenpredikers hunne leer in zijn rijk
verkondigden, doch hun arbeid droeg zeer geringe vruchten.
Na zijn dood zouden zijne drie zonen het rijk met elkander
deelen; zij geraakten evenwel in twist, en de oudste, Jaröpolk,
maakte zich van de geheele Eussische monarchie meester.
Hij werd echter op last van zijn broeder Wladïmir vermoord,
die hem daarop verving, en om zijne veroveringstochten,
gelijk zoo menig vorst, de Groote is genoemd. Wladïmir
liet aan zijn hof predikers van verschillende geloofsbelijdenis-
sen toe , om zich met hunne leer bekend te maken. Van
het Jodendom wilde hij niet weten, daar, volgens zijne
meening, een volk, dat door zijn eigen God over de geheele
wereld verstrooid was, geene voordeelige leer kon hebben.
De Islam kon hem evenmin behagen, omdat zijne geloovigen
geen wijn mogen drinken, //en," zeide Wladimir, //Zonder
wijn te drinken kan een Rus niet leven." Hij zond afge-
zanten naar Constantinopel om daar onderzoek te doen naar
de Grieksch-Christelijke leer, en zij brachten hem ten
antwoord, dat het Christelijk geloof wel voortreffelijk moest
wezen, aangezien het onmogelijk was zich zooveel rijkdom
en pracht te denken, als er in die stad te vinden was. Het
Byzantijnsche rijk werd in die dagen door twee broeders
geregeerd, Basilius II en Constantius VIII. Wladimir liet
hun verzoeken, hem hunne zuster Anna tot gemalin te geven,
met de bedreiging, dat indien zijn aanzoek niet werd ingewil-
ligd, hij met een leger naar Constantinopel zou komen om haar
met geweld te halen. De keizers lieten hem antwoorden, dat