Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.12
Zij beschouwden AUäh taala (den hoogsten God) als schep-
per en bestuurder der wereld, maar dienden hem noch in
tempels noch met behulp van priesters. Bovendien erkenden
zij djinns of geesten, die sommigen, als zij in de woestijn
door honger of dorst gekweld, door de droge lucht geprik-
keld, of door de tooverachtige verschijnselen der straalbreking
begoocheld waren, meenden te hooren of te zien. Die djinns
werden beschouwd als wezens, die den mensch goed of kwaad
konden aandoen, en daarom achtte men het zaak, hen te
vriend te houden door hun offers te brengen. Een of meer
stammen hadden een eigen djinn, die zich in een steen, een
boom of een beeld ophield, en ujt een bepaald geslacht pries-
ters had. In hun eigen belang zorgden de priesters meer
voor den djinn dan voor Allah. De in koren en jonge kamee-
len bestaande offers werden in twee deelen verdeeld. Het voor
Allah bestemde deel diende tot ondersteuning van armen en
vreemdelingen, het andere werd door de priesters in beslag
genomen, die er een gedeelte van offerden aan den djinn.
Gebeurde het nu, dat zich bij het deel van AUah iets van
betere hoedanigheid bevond, dan bij hetgeen aan den djinn
was toegewezen, dan ruilden de priesters het.
Te Mekka, gelegen in een smal, zandig, door kale bergen
ingesloten dal, bevond zich een nationaal heiligdom, de Kaba
(teerling). Het was een tempel van tweehonderd schreden in
omtrek, welks muren nauwelijks 2 M. hoog, van ruwe, ge-
stapelde steenen opgetrokken, en van binnen met sluiers be-
hangen waren. Driehonderd zestig stammen hadden afgoden
in de Kaba en de verdraagzaamheid der Arabieren was zoo
groot, dat men er eene afbeelding van Abraham en eene
van Maria met het kind Jezus in vond. De stam Koraïsj,
die te Mekka woonde, had er het afgodsbeeld Hobal, dat
boven een kuil stond, waarin men de voor den djinn bestemde
offergaven legde. De hoogste en tevens algemeene vereering
genoot in den Kaba een groot stuk donkerbruin vulkanisch
bazalt (de heilige steen).