Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.184
hij de Normajidische edelen doen beloven, zijn zoon, die zich
later Willem den Bastaard noemde, als opvolger te erkennen.
Willem, die bij den dood zijns vaders omstreeks tien jaren
oud was, werd aan het Eransche hof opgevoed, waar hij,
steeds omringd door kuiperijen, list en trouweloosheid, tot
een onversaagd en heerschzuchtig, maar tevens gewetenloos
man opgroeide. Ondanks alle hinderpalen, die hem in den
weg werden gelegd, wist hij de regeering van Normandië in
handen te krijgen. Met krachtige hand onderwierp hij de
baronnen, die het waagden zich tegen hem te verzetten, en
evenzoo de geestelijken, ofschoon hij dezen, indien zij zich
naar zijn wil schikten, door het stichten van kloosters en
op andere wijzen begunstigde. Toen eens eenige geestelijken
voor hem verschenen om de belangen te bespreken van een
abt, die zich wegens verongelijking bij den bisschop van Eome
had beklaagd, gaf Willem ten antwoord, dat hij het gezag
van dezen wel in geloofszaken, maar niet in het wereldlijke
erkende; dat hij niet voornemens was inbreuk op de rechten
der kerk te maken; maar dat hij iederen geestelijke, die zich
tegen zijn wil verzette, aan den eersten den besten boom zou
laten ophangen. Na het vernemen van dit antwoord namen
de geestelijken, die hem om gehoor hadden verzocht, ijlings
hun afscheid.
Nadat Willem zijn gezag in Normandië goed had bevestigd,
beraamde hij het plan om na Eduard den Belijder, met wien
hij bevriend was, den Engelschen troon te bestijgen. Terstond
zag hij in, dat Harald een geducht mededinger voor hem
zou zijn, en nu verhaalt de overlevering, dat toen Harald
eens door storm op de Normandische kust was geworpen en
volgens het strandrecht, hetwelk den eigenaar der kust het
bezit toekende van alles, wat er aanspoelde, dus ook van
schipbreukelingen, in handen van Willem was gevallen, deze
hem niet, gelijk bij edelen gebruikelijk was, voor een losgeld
wilde vrijlaten, maar alleen tegen de belofte, dat hij diens
pogingen om na Eduard den Belijder den Engelschen troon