Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.179
Swen naar Denemarken terug, waar hij het volgende jaar
overleed. Zijn zoon Kanoet, die hem opvolgde en met eene
geringe macht in Engeland was achtergelaten, kon zich toen
niet staande houden. Hij zag zich verplicht naar Denemar-
ken scheep te gaan, doch eer hij vertrok, liet hij den aan-
zienlijken Angelsaksischen jongelingen, die hij als gijzelaars
bij zich had gehouden, de neuzen afsnijden en de handen
afhouwen.
Ethelred keerde nu naar Engeland terug en zijn zoon
Edmund, die wegens zijne strijdbaarheid den bijnaam Irormde
(IJzeren zijde) droeg, trok Kanoet met een leger te gemoet,
toen deze weldra een nieuwen inval deed. Ofschoon Kanoet
door menig Angelsaksisch edelman, die zijn vaderland ver-
ried, werd bijgestaan, wist Edmund zich moedig staande te
houden. Hij leverde den Denen niet minder dan vijf groote
veldslagen. Na één der slagen, waarin hij had gezegevierd,
zoo verhaalt men, gebeurde het, dat een Deensch aanvoer-
der, Ulf genaamd, zich redde door in een bosch te vluchten.
Voortloopende ontmoette hij een jeugdigen koeherder, dien
hij groette, en wiens naam hij vraagde. ,/Ik heet Godwin,
de zoon van Ulfnoth", luidde het antwoord, //en indien ik
mij niet bedrieg, zijt gij een Deen." Ulf verschrikte op die
woorden en smeekte Godwin, medelijden met hem te hebben,
en hem den weg naar de zijnen te wijzen. Godwin deed hem
opmerken, dat het wel dwaas van een Deen was, een Angel-
sakser om hulp te vragen. //Bovendien", zoo ging hij voort,
//al is de weg niet lang, toch is hij zeer gevaarlijk, want
de boeren in den omtrek hebben allen naar de wapenen ge-
grepen, en indien zij zagen, dat ik u geleidde, zouden zij
ons beiden zekerlijk dooden." De Deen trok nu een gouden
ring van zijn vinger en hood dien Godwin aan, terwijl hij
zijn verzoek herhaalde. Godwin beschouwde een oogenblik
den ring en gaf hem toen terug met de woorden: //Ik be-
geer geen geschenk van u, maar wil beproeven of ik u bij
de uwen kan brengen. Hij nam hem daarop mede naar de