Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.177
waren het Latijn, dat bij den kerkdienst werd gebruikt, in
't Angelsaksisch te vertalen. Alfred eischte, dat alle gees-
telijken en ambtenaren Latijn zouden leeren, en met dat doel
richtte hij, waar er gelegenheid voor was, scholen op; zoo
was hij O. a. de stichter van de hoogeschool te Oxford.
Ook zocht hij nijverheid en kunst te bevorderen. Wie
in eenig handwerk uitblonk, werd beloond, en een aanzienlijk
gedeelte van zijn inkomen besteedde hij aan het stichten
van schoone gebouwen. Hij overleed op den leeftijd van
51 jaar.
Kanoet de Groote.
De rust en de orde, die Alfred in Engeland had weten
te handhaven, maakten onder zijne opvolgers langzamerhand
plaats voor nieuwe verwarring. Nog eer Gregorius VII zijne
hervormingen in de kerk begon, drong in Engeland de heilige
Dunstan op een gestrenger leven bij de geestelijkheid aan. Hij
wijdde zich reeds op jeugdigen leeftijd met ijver aan de
studie. Eene zware ziekte, die hem overviel, deed hem het
besluit nemen, monnik te worden, en zoo snel verwierf hij
zich een goeden naam, dat hij reeds op zijn twintigste jaar
tot abt van Glastonbury in Sommerset werd gekozen. De
overlevering weet van eene menigte wonderen, door Dunstan
verricht, te verhalen. Zoo hield hij. zich eens op ten huize
van Ethelflede, eene rijke vrouw van het koninklijk geslacht,
om zich in de muziek, de schilderkunst en het bearbeiden
van metalen te oefenen, toen zij een onverwacht bezoek kreeg
van den koning. Ethelflede geraakte daardoor in verlegen-
heid, want haar wijnkelder was niet genoeg voorzien om
's konings dorstige begeleiders naar de eischen van dien tijd
te laven. Maar Dunstan kwam tusschenbeide en wist te be-
werken, dat het wijnvat niet ledig werd, hoeveel Ethelflede's
dienaren er ook uit tapten.
II. 12