Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.158
bevond zich de om zijne dapperheid, kracht en gewetenloos-
heid bekende Robert met den bijnaam van Guiscard (Ge-
slepene). De Roomsche bisschop Leo IX geraakte met
hen in twist over het bezit van Beneventum en wilde eene
poging wagen om hen uit Italië te verdrijven. Hij trok aan
het hoofd van een leger, dat met toestemming van Hen-
drik III gedeeltelijk in Duitschland was geworven, tegen
hen op, doch werd door Robert Guiscard en Humfried
geslagen en gevangengenomen. De Noormannen bewezen
hun gevangene de grootste eer. Zij wierpen zich aan
zijne voeten en smeekten hem, dat hij hen als zijne vazal-
len zou erkennen. Leo IX zag zich genoodzaakt hen te be-
leenen met alles, wat zij in Beneden-Italië veroverd hadden
en nog zouden veroveren.
Toen nu Hildebrand naar den steun van vorsten omzag
om het wereldlijk gezag van den bisschop van Rome uit te
breiden, wendde hij zich tot Robert Guiscard, die zich on-
dertusschen had meester gemaakt van Calabrië en Apuliè'.
Nicolaas II beleende Robert met genoemde landstreken, en
daarop trok deze met zijne benden in het Romeinsche gebied
en vernielde er de burchten van de edelen, die tegen de
hervormingen in de kerk gekant waren. Hierop riep Nico-
laas II in 1059 eene kerkvergadering te Rome bijeen, waarop
behalve Italiaansche ook Eransche en Bourgondische geeste-
lijken verschenen. Zij nam het besluit, dat voortaan de bis-
schoppen van Rome niet meer gekozen zouden worden door
den adel, de geestelijkheid en het volk van Rome, maar
door een college van kardinalen. De titel kardinaal, die
voornaamste beteekent, werd sedert keizer Theodosius tegen
het einde der vierde eeuw aan alle hooge staatsambtenaren
gegeven. Van het einde der vierde eeuw af droegen alle
hooge geestelijken, welke aan eene bepaalde kerk vast waren
aangesteld, dien titel. Sedert het concilie van 1059 verstond
men onder kardinalen meer bepaald de bisschoppen, priesters
en diakenen van die kerken te Rome, welke samen een nieuwen