Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
keer te moeten gaan. Om de verbeelding der menigte te
hulp te komen en haar steeds Christus, de Maagd Maria en
andere heilige personen in herinnerijig te brengen, was men
begonnen de kerken met hunne beelden te versieren. Geheel
in strijd met deze bedoeling bewezen velen aan die beel-
den zeiven goddelijke eer. Van sommige beelden en schil-
derijen begon de menigte te gelooven, dat zij niet door
menschenhanden vervaardigd, maar van hemelschen oorsprong
waren. Vervolgens kon men hier en daar Christusbeelden
aanschouwen, uit welker geschilderde wonden op kunstmatige
wijze van tijd tot tijd bloed vloeide. Kerken en kloosters,
die zulke wonderbeelden, gelijk men geloofde, dat het waren,
bezaten, werden door duizenden bedevaartgangers bezocht,
om er te bidden of genezing te zoeken van kwalen. Men
krabde zelfs verf van de beelden om ze in den avondmaals-
wijn te doen of ze als geneesmiddel aan zieken toe te dienen.
Leo Ilt beval nu met goedkeuring van eene menigte bis-
schoppen, de beelden in de kerken zoo hoog te plaatsen,
dat het volk ze niet meer kon aanraken. Hierdoor ontston-
den door het gansche rijk zulke woelingen, dat zij slechts
met kracht van wapenen konden onderdrukt worden. De
eilanden, die vooral rijk waren aan kloosters met wonder-
doende heiligenbeelden, rustten zelfs eene oorlogsvloot uit,
die, met de heilige vaan (labarum) in top, naar Constantinopel
stevende, doch er door het Grieksche vuur werd vernield.
Sedert ontstonden de twee partijen der ikonoklasten (beel-
denstormers) en der ikonodoelen (beeldenvereerders).
Leo III de Isauriër werd achtereenvolgens opgevolgd door
zijn zoon Constantijn V, bijgenaamd Copronymus, omdat hij
bij zijn doop het bekken verontreinigd zou hebben, en Leo
IV, die beiden eveneens den beeldendienst te keer gingen.
Laatstgenoemde stierf reeds na eene regeering van vijf jaar,
naar de meening van het volk ten gevolge van vergift, dat
hem zijne gemalin Irene, eene schoone Atheensche vrouw,
die den beeldendienst was toegedaan, zou hebben toegediend.