Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.148
dringen van vijanden te beschutten. Onder de voornaamste
deelen van de versterkingen der steden behoorden, evenals bij
de kasteden, de torens, die niet alleen ter verdediging
dienden, maar ook om op den uitkijk te staan en dan wacht-
torens heetten. Al vroeg werden de poorten van kasteden
en steden door torens versterkt. Het recht om dorpen te
versterken behoorde aan den heer van het land, waartoe het
dorp behoorde. Was deze dienstplichtig aan een ander heer,
zooals een bisschop, een hertog enz., dan had hij daartoe
echter van dezen de vergunning noodig. Somtijds kochten
de bewoners van hun heer voor eene som gelds of eene jaar-
lijksche schatting het recht, hunne woonplaats te versterken.
Niet zelden gebeurde het, dat de inwoners één gedeelte en
hun heer het andere gedeelte van de vestingwerken eener stad
bouwden en onderhielden. Daar de steden in tijden van
gevaar ook tot toevluchtsoord dienden voor de bewoners der
omliggende dorpen, die met de stad tot een zelfde markge-
nootschap behoorden, waren deze niet zelden verplicht tot
het bouwen en onderhouden der stadsmuren bij te dragen.
Dewijl er in dien tijd, behalve het door Hendrik den Voge-
laar aan sommige steden verleende muntrecht, nog geene
beschreven stadsrechten bestonden, waren alle vrije en on-
vrije inwoners der stad burgers of poorters. De onvrijen hadden
hunne gewone verplichtingen jegens hun heer te vervullen,
maar als burger bezat niemand rechten, waarin, zooals
in lateren tijd wel plaats had, andere inwoners niet deel-
den. Ieder vreemdeling, die zich in eene stad vestigde
en zijn aandeel in de lasten droeg, werd er als burger be-
schouwd.
Tot den bloei van den handel en de nijverheid in de steden
brachten de geestelijken niet weinig bij. Het gezellig sa-
menwonen deed bij de monniken levensbehoeften ontstaan, die
althans bij de geringere leeken vooreerst nog onbekend ble-
ven. Om er in te kunnen voorzien, moesten de monniken
zich op menigen tak van nijverheid toeleggen, en weldra