Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.147
'twapen, de beenderen hem borsten aan oor en wang, en
het bloed er uitsprong, stroomende uit de wonden. Toen
den voorsten vijand de wang was gekorven, week het volk
terug, den zwaardbeet schuwend."
Meer en meer begon men prijs te stellen op levensgemak-
ken. De houten woningen werden langzamerhand door stee-
nen vervangen, en terwijl vroeger ieder huis een enkel vertrek
had uitgemaakt, begon men het nu door beschotten of
tusschenmuren in kamers af te deelen. Dat het huisraad
verbeterde, blijkt uit den inventaris van een der koningshoeven
van Karei den Grooten, waarin o. a. voorkomen: vijf veeren
bedden met matrassen, twee koperen en zes ijzeren ketels,
één ijzeren kandelaar, tafellakens, één handdoek, tobben met
ijzeren banden, sikkels enz. Tegen het einde der negende
eeuw kostte een goed ingericht heerenhuis twaalf schellingen
of een pond zilver.
Den tijd, dien de vrouwen niet aan de huishouding behoef-
den te besteden, brachten zij door met de zorg voor de klee-
ding van zich zeiven en van de mannen. De koningsdochter
hield er zich evenzeer mede bezig als de lijfeigene maagd.
In de eerste plaats was hiertoe noodig het spinnen, waarbij
vóór de uitvinding van het spinnewiel door Jürgens te Nürn-
berg omstreeks 1530, het spinrokken tusschen de knieën en
de klos in de hand gehouden werd. Luitgardis, eene doch-
ter van Otto I den Grooten, was eene zoo vlijtige spinster,
dat ter herinnering daarvan een gouden klos boven haar graf
werd gehangen. Met vaardigheid wisten de vrouwen het
spoeltje te hanteeren, waarmede zij aan het weefgetouw linnen
en wollen stoffen weefden, en bovendien waren zij geoefend
in 't gebruik van schaar en naald. Menig gedicht uit dien
tijd spreekt van aanzienlijke vrouwen, die van lappen een
gewaad knipten, welks deelen door hare dienstvrouwen aan
elkander werden genaaid.
Het doel waarmede een dorp versterkt of tot stad gemaakt
werd, was geen ander, dan om de plaats tegen het binnen-