Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.145
Ontwikkeling der maatschappelijke toe-
standen tijdens de Saksische keizers.
Meer en meer openbaarde zich in het leven der Germanen
de kerkelijk-Latijnsche richting, van welke Karei de Groote
den grondslag had gelegd. Het aantal kloosters nam zeer
toe, en terwijl veel kloosterlingen zich door onwetendheid en
een schandelijk zedeloos leven onderscheidden, waren er ook
begaafde jongelingen en jongedochters, wier idealen van het
goede zoozeer streden met de werkelijkheid van het leven,
dat zij, evenals sommige in den krijg of in de staatkunde
gerijpte mannen, voor wie de wereld niets dan teleurstelling
had opgeleverd, de veilige rust van het klooster opzochten,
om zich aan bezigheden te wijden, die het levend geslacht
of de nakomelingschap ten goede zouden komen. Zoo legden
zij zich toe op het geven van onderwijs in de steeds toene-
mende kloosterscholen, waarin men zich vooral bezighield
met de studie van 't Latijn, welke taal bij den kerkdienst in
gebruik was, en daardoor wijdde menigeen zich aan het af-
schrijven van Latijnsche dichters en schrijvers, wier meester-
stukken op die wijze voor het nageslacht bewaard zijn geble-
ven. Maar dewijl de geestelijken zich slechts door middel van
het Duitsch bij het volk verstaanbaar konden maken, moesten
zij zich ook aan deze taal wijden. Zij vervaardigden niet
alleen Duitsch-Latijnsche en Latijnsch-Duitsche woordenboeken
(Glossariën), maar trachtten ook aan de behoefte des volks
aan liederen en verhalen tegemoet te komen. Hoezeer zij
zich daarbij naar den heerschenden smaak richtt'en, kan blij-
ken uit eene capitulare van 789, waarbij het aan nonnen
verboden wordt, volksliederen over te schrijven en ze elkander
mede te deelen. Om ,de heidensche heldensagen te verdringen,
vervaardigden de geestelijken liederen, waarin onderwerpen
uit de evangeliën werden behandeld. Uit die gedichten blijkt,
11. 10