Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.141
Ondertusschen werd in Italië voortdurend gestreden en
gemoord om de opperheerschappij. Hugo van Arles wist
tegen den afstand van zijn hertogdom Provence of Laag-
Bourgondië aan zijn tegenstander Rudolf van Hoog-Bourgon-
dië in 933 den koningstitel van Italië te verwerven, en
nu verlangde hij naar den keizerstitel. Rome werd in die
dagen beheerscht door drie beruchte, zedelooze vrouwen:
Theodora en hare beide dochters Marozia en Theodora. Ma-
rozia had zich in den Engelenburg gevestigd. Zij liet den
Romeinschen bisschop Johannes X, die zich niet naar haar
wilde schikken, in de gevangenis werpen, waar de angst hem
doodde, en plaatste toen een harer zonen als Johannes XI
op den bisschopszetel. Deze zou nu het beheer voeren over het
geestelijke en zij en haar zoon Alberik over het wereldlijke. Met
deze Marozia trad koning Hugo in den echt, in het vooruitzicht
daardoor de keizerskroon te verwerven, doch Alberik verzette
zich hiertegen en verdreef hem uit Rome. Nu huwde Hugo,
de weduwe van Rudolf van Bourgondië, wiens dochter Adel-
heid hij met zijn zoon Lotharius in den echt deed treden.
Het was een koning in Italië onmogelijk geregeld te besturen.
Hij kon zich alleen door willekeur doen gelden; maar Hugo
deed het op eene wijze, die hem bij de hooge geestelijkheid
en de rijksgrooten zoo gehaat maakte, dat ze hem dwongen
ten behoeve van zijn zoon Lotharius afstand te doen en naar
Provence terug te keeren. Reeds drie jaren later, in 950,
stierf Lotharius, en nu beklom Berengarius II van Ivrea,
wiens grootvader, Berengarius I, ook koning van Italië was
geweest, den troon. Nauwelijks was hij te Pavïa gehuldigd,
of hij maakte zich door willekeur, hebzucht en wreedheid
zeer gehaat. Daar hij den invloed vreesde van Adelheid,
die een uitgestrekt grondgebied bezat, waartoe zelfs de hoofd-
stad Pavïa behoorde, verlangde hij, dat zij, nog eer de rouwtijd
over- haar gemaal was verstreken, met zijn zoon Adalbert
zou huwen. Zij wees echter het huwelijksvoorstel met ver-
achting van de hand, omdat zij zich overtuigd hield, dat de