Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.138
de Magyaren beloofden, dat zij binnen negen jaren hunne
strooptochten op Duitsch gebied niet zouden herhalen, en dat,
indien zij hiertoe genegen waren, hij zich wilde verbinden
hun eene jaarlijksche schatting te betalen. De Magyaren
namen met Hendrik's voorslag genoegen en trokken af.
Hendrik vernederde zich om schatting te betalen, ten einde
zich tegen de Magyaren behoorlijk ten strijde te kunnen rusten.
Hij liet de door de Noormannen verwoeste vestingwerken der
steden herstellen, en wekte de Saksers, die nog steeds bij
voorkeur op het platteland woonden, op, hunne dorpen door
ze met palissaden, aarden wallen of muren en grachten te
omgeven tot steden te maken, die in geval van oorlog eene
versterkte schuilplaats konden aanbieden. Daar de Saksers
nog bijna allen te voet streden en daarom niet bestand kon-
den zijn tegen de aanvallen der Magyaarsche ruiterij, beval
hij zijnen vazallen met hunne onderhoorigen te paard krijgs-
dienst te verrichten. Bovendien gaf hij feesten, waarbij de
edelen te paard in twee partijen verdeeld, spiegelgevechten
hielden. Hij zelf nam aan die oefeningen deel en overtrof
ieder in behendigheid. Zijn voorbeeld wekte de edelen op, hem
na te streven.
Toen Hendrik op deze wijze zijn leger had hervormd, be-
sloot hij het aan den krijg te gewennen tegen minder gevaar-
lijke vijanden dan de Magyaren. Eerst trok hij op tegen de
Wenden, een Slavisch volk, dat aan de Havel en de Spree
woonde, en veroverde hunne vesting Brandenburg. Daarna
trok hij op tegen de Slaven in Bohemen, die hij onderwierp.
Hun hertog Wenzel, die reeds tot het Christendom was be-
keerd, moest Bohemen aan Hendrik den Vogelaar afstaan,
doch deze gaf het hem als leen of feudum terug.
De negen jaren, in welke de Magyaren zich verbonden
hadden geen inval in Duitschland te doen, spoedden ten
einde, en nu meende Hendrik, dat de tijd was aangebroken,
zich voor goed v.an hen te ontslaan. Hij riep de graven uit
Saksen, Thüringen en Franken bijeen en deelde hun zijn voor-