Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.131
lende volksstammen uitzagen naar personen, die de algemeene
orde en veiligheid tegen buitenlandsche vijanden konden hand-
haven. Daardoor kwamen aan het hoofd der verschillende
volksstammen hertogen, hetzij door de keuze der bisschoppen,
hetzij door den wil der heeren, hetzij doordat een kracht-
dadig man zich van de hertogelijke waardigheid meester maakte.
Even onafhankelijk als de hertogen van de koningen waren,
wier domeinen eerlang eene onbeduidende afmeting verkregen,
even onafhankelijk waren aanvankelijk de heeren, baronnen,
graven en markgraven of markiezen van de hertogen. Lang-
zamerhand was de meening doorgedrongen, dat er geen land
was zonder heer. Aan den eigendom eener landstreek waren
ook de koninklijke rechten van belasting te heffen, oorlog
te voeren, recht te spreken en munt te slaan verbonden.
De heer van den grond woonde in een kasteel, waar het
kon op den top of op de helling eens heuvels gelegen, aan
welks voet de hutten stonden van de hoorigen en lijfeigenen,
die de akkers bebouwden, of als bakkers, smeden, timmer-
lieden enz. dienst deden.
Langzamerhand echter wisten de hertogen en na dezen de
koningen hun gezag meer te doen gelden. Er kwam eene
soort van overeenkomst tot stand tusschen den hertog en de in
zijn gebied wonende grondbezitters, waarbij naar het voor-
beeld van hetgeen onder de vroegere Frankische koningen
had plaats gehad, de bezittingen der heeren als leenen van
den hertog, later van den koning werden beschouwd. De
naam beneficium werd vervangen door dien van fmdum en
het verschil tusschen beide bestond daarin, dat de bezitter
van een beneficium geene vorstelijke rechten had gehad, ter-
wijl die van een feudum ze wel bezat. De bezitter van
een feudum werd de vazal of leenman van zijn leenheer
genoemd, en terwijl hij aanspraak kon maken op diens be-
scherming, was hij verplicht zijn heer onder een bepaalden
vorm hiulde te bewijzen en hem in den oorlog veertig of
zestig dagen op eigen kosten te dienen. Toen het leenstelsel