Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.130
scherming kwamen vragen en niets hadden aan te bieden
dan hunne vrijheid, kwamen in een minder gelukkigen toestand:
zij werden lijfeigenen. Tevreden, dat men weer in veüigheid
kon leven, verdroeg men den ruwen druk van de krachtige
hand, die bescherming verleende; men liet toe, dat de heer
zich als eigenaar van den ganschen grond, die door hem
beschermd werd, beschouwde, omdat zonder hem allen gelijke-
lijk ten onder gingen. De wateren, de heiden, de wouden
en het jachtrecht behield hij voor zich, en daardoor werd
niemand gedrukt, want het land was weinig bevolkt en hij
schepte er behagen in, het in zijn vrijen tijd van wilde dieren
te zuiveren. Daar niemand dan hij over eenige middelen te
beschikken had, kon alleen hij hand- en watermolens op-
richten, wegen aanleggen en bruggen doen bouwen, die ieder
tegen betaling kon gebruiken. De noodzakelijkheid en de
gewoonte vormden langzamerhand een band, die den heer
met zijne hoorigen en lijfeigenen tot eene geregelde maatschappij
verbond, tot welker instandhouding ieder lid medewerkte.
Op deze wijze werd iedere heerlijkheid, ieder graafschap,
ieder hertogdom een vaderland, waarvan de bewoners, door
't algemeen belang gedrongen, zich nauw aaneensloten. Aldus
was, behalve in de hooge Alpenlanden, in Friesland en in een
gedeelte van Westfalen, de vrije boerenstand te gronde ge-
gaan. In genoemde streken echter bleven eenige boerenre-
publieken in wezen.
De pogingen van Karei den Grooten om door middel van
het kerkelijk geloof de verschillende volksstammen zijner
uitgebreide heerschappij te doen samensmelten, mislukten
door de verwarring, die na zijn dood ontstond. Gelijk in
Duitschland de Friezen , Saksers, Thüringers, Franken,
Alemannen en Beieren, zochten in Frankrijk de Bretagners,
Bourgondiërs, Aquitaniers en Proven^alen hunne oude rechten
en hunne nationaliteit te handhaven. De oorlogen, die de
nakomelingen van Karei den Grooten tegen elkander voerden,
deden het koninklijk gezag zoozeer dalen, dat de verschil-