Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.129
geheel verloren. De binnenlandsche oorlogen, die onder zijn
zoon en zijne kleinzonen gedurende een halve eeuw heersch-
ten, brachten eene namelooze verwarring teweeg en deden het
koninklijk gezag meer en meer dalen. Na den slag bij Fon-
tenaille, waarin duizenden krijgshaftige edelen sneuvelden,
trokken benden van eenige honderden roovers straffeloos door
het land, overal moordende, plunderende en brandende. De
ellendige toestand, waarin het rijk verkeerde, gaf het aanzijn
aan een nieuw geslacht van krijgslieden, want er was slechts
veiligheid te vinden onder de onmiddellijke bescherming van
een onversaagd aanvoerder eener uitgelezen afdeeling krijgs-
lieden. Zulk een beschermer vond men in een koninklijk
ambtenaar, zooals een graaf, of in strijdbare bisschoppen en
abten, maar ook in een rooverhoofdman, die zich in een
door hem veroverd gebied had gevestigd, of in een geluk-
zoeker, die zijn doel had bereikt, of in een bekeerden heiden,
want op afkomst werd toen niet gelet. Toen adelden dapper-
heid en strijdvaardigheid. In het leven te kunnen blijven
en zich tegen de winterkoude te kunnen beschutten was in
die dagen voor honderd duizenden het toppunt van geluk, en
dit geluk konden de meesten alleen deelachtig worden onder
den sterken arm van een geducht krijgsman. Daarom stonden
de kleine grondbezitters hem gewillig hunne landerijen af,
op voorwaarde, dat zij ze als hoorigen tegen de opbrengst
van tienden van hem in erfpacht ontvingen. Onder de hoede
van den graaf of den heer, die te allen tijde ten strijde ge-
reed was, voor wien de strijd het hoogste levensdoel was,
kon de boer weer zaaien en op den oogst hopen. In tijden
van gevaar vond hij eene schuilplaats voor zich, de zijnen,
zijn graan en zijn vee in de versterking, die zijn heer tot
woonplaats verstrekte. De ijzeren noodzakelijkheid dwong de
beschermden eene stilzwijgende overeenkomst aan te gaan met
hun beschermer. Zij bebouwden voor hem den grond, brach-
ten hem pacht op, zoowel voor hunne woning als voor hun
vee, zoowel om te mogen erven als verkoopen. Zij die be-
II. 9