Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.123
gemeenten van het bisdom, en de abten door de monniken
des kloosters gekozen zouden worden. Lodewijk's gunstige
gezindheid jegens de kerk werd versterkt door het volgende
voorval. Eens dat hij te Aken, na het eindigen van de gods-
dienstoefening, naar zijn paleis terugkeerde langs een houten
zuilengang, stortte deze in. Alle personen van 's keizers ge-
volg werden meer of minder zwaar gewond. Lodewijk kwam
er met eenige lichte schrammen af, en dit beschouwde hij
als eene vingerwijzing van de Voorzienigheid, om de belan-
gen der kerk met verdubbelden ijver te bevorderen. Hij deed
dit door vele kloosters te ontheffen van de verplichting om
krijgsvolk te leveren en hun het recht te schenken op hun
gebied de belastingen te heffen, waarvan de opbrengst vroe-
ger in de keizerlijke schatkist was gevloeid. Deze schenking
deed de kloostergoederen sterk toenemen, want nu stonden
vele kleine grondeigenaars hun land aan een klooster af, op
voorwaarde , dat dit het hun tegen eene schatting weder in
leen zou geven, want dan waren zij, die op dat land woonden,
van den last bevrijd, krijgsdienst te verrichten. Verder zocht
Lodewijk op zijne wijze het Christendom uit te breiden. De
Noormannen, die Scandinavië bewoonden, waren verdeeld over
een dertigtal rijkjes, waarin een koning het hoogste rechterambt
en het opperbevelhebberschap bekleedde, en de volksvergadering
(thing) de hoogste macht bezat. Daar het grondbezit onver-
deeld bij erfenis aan den oudsten zoon overging, waren diens
broeders verplicht zich op strooptochten buit te verwervèn.
Als Viking ar, gelijk zij zich zeiven noemden, waagden
zij zich in hunne kleine, ranke zeeraven, welken naam zij
aan hunne schepen gaven, op. zee om een rijk kustland
te bereiken. Somtijds voeren zij er de rivieren mede in,
en er zijn voorbeelden van, dat zij hunne zeeraven van de
eene rivier over land naar eene andere sleepten, om langs
deze de zee weder te bereiken, die er bij stormweder niet
zelden een groot aantal van deed te gronde gaan. In de
negende eeuw vermeerderden de tochten der Noormannen