Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.115
stuur en het aanvoeren van de krijgsmacht (heirban) der
gouw belast waren, hunne plichten getrouw nakwamen. Maar
toch kon hij daardoor niet verhinderen, dat menige graaf
zijne macht tot eigen voordeel misbruikte. In 806 had Karei
bepaald, dat iedere vrije, die drie hoeven bezat, dienstplich-
tig was, terwijl zij, die minder bezaten, met hun tweeën,
drieën, vieren, vijven of zessen een krijgsman moesten leve-
ren. Wanneer nu de heirban werd opgeroepen, verschoon-
den vele graven hunne eigene vrije arbeiders zooveel mogelijk
van den krijgsdienst, en om dit zelfde voordeel te genieten,
schonken vele vrijen hun landgoed aan den graaf, op voor-
waarde, dat zij en hunne nakomelingen er het vruchtgebruik
van zouden hebben, tegen betaling van eene schatting.
Karei bevorderde zeer de stoffelijke belangen der kerk. Hij
vaardigde eene wet uit, waarbij van de opbrengst van alle
landerijen, ook van die der kroon, het tiende gedeelte moest
worden afgestaan aan de geestelijkheid. Deze tienden waren
bij de overige belastingen en den krijgsdienst, die Karei zijnen
onderdanen had opgelegd, zeer drukkend, en de Saksers kwa-
men ertegen in verzet; doch Karei wist de wet te doen
uitvoeren, en sedert handhaafden de geestelijken het eens ver-
kregen recht. Bovendien schonk hij aan de kerk veel land
tot het stichten van kerken en kloosters, en stond hij aan
de geestelijke goederen het recht van immuniteit toe, waar-
door zij ontheven werden van de gewone verplichtingen jegens
den staat, met uitzondering echter van den krijgsdienst. De
geestelijken waren voor hun persoon wel vrijgesteld van krijgs-
dienst, doch velen hunner namen vaak uit eigen verkiezing
als krijgslieden aan oorlogen deel. De bisschoppen werden
rijk aan land en lieden en met hen ook de abten, een titel,
die vader, abbas, beteekent en aanvankelijk aan alle oude
monniken, later alleen aan het hoofd van een klooster werd
gegeven. De abt beheerde de kloostergoederen en de mon-
niken waren hem onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd.
Verscheidene abten kregen bijna gelijke rechten met de bis-