Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
aanval op het Beiersche leger te doen. Pepijn dreef den
spot met dit verbod, en toen hij eenige dagen later de Beie-
ren aangevallen en overwonnen had, voegde hij Sergius, die
onder de gevangenen behoorde, toe: //Gij hebt verkeerdelijk
in naam van den heiligen Petrus gesproken, want indien
deze mij den aanval had verboden, zou hij mij niet geholpen
hebben te overwinnen." Nadat het rijk tot rust was ge-
bracht, begaf Karloman zich in een klooster. Hij liet zijne
waardigheid na aan zijn zoon Drogo, die kort daarna uit
den weg werd geruimd, tengevolge waarvan Pepijn hofmeier
van het gansche Frankische rijk werd.
Omstreeks dezen tijd werd Bonifacius op de nog steeds gebrui-
kelijke wijze door de gemeenten des bisdoms tot bisschop van
Mainz gekozen. De Eoomsche bisschop Zacharias bevestigde
die keuze, en nu stonden veertien bisschoppen onder zijn aarts-
bisschoppelijk gezag. Meer en meer slaagde Bonifacius erin,
den bisschop van Rome als het hoofd der kerk door de
Frankische bisschoppen te doen erkennen. Met hen hield hij,
na daartoe vergunning van Zacharias gevraagd te hebben,
kerkvergaderingen, op welke verordeningen tegen heidensche
gebruiken, zooals offerfeesten, werden vastgesteld, en ook een
formulier van de gelofte, die bij den doop door heidenen,
die zich bekeerden, moest worden afgelegd, en dat aldus
luidt: //Verzaakt gij den duivel? — Ik verzaak den duivel. —
En alles wat des duivels is ? — En ik verzaak alles, wat des
duivels is. — En alle werken des duivels ? — En ik verzaak
alle werken en woorden des duivels, Donar en Wodan en Tyr
en al de booze geesten, die hunne genooten zijn. — Ge-
looft gij in God, den almachtigen vader ? — Ik geloof in
God, den almachtigen vader. — Gelooft gij in Christus, Gods
zoon? — Ik geloof in Christus, Gods zoon. — Gelooft gij
in den Heiligen Geest? — Ik geloof in den Heiligen Geest."
Tevens werd aan de Geestelijken verboden aan jacht of oor-
logen deel te nemen. Met onverdroten ijver hield Bonifacius
toezicht op de geestelijken, en wien hunner hij op ketter-