Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
Rome te breogéu^ dpch. h^ecin sku^de ii^', slechta gedeeltelijk.
Ib eea brief aan Aea Roomschen bisscbop Zacharias riep hij
diens to^eTCndheid In, omdat vele bisschoppen in Gallië
hunne belofte niet waren nagekomen, om als teeken hunner
onderwerping aan den bisshop van Rome het pallium te
Rome te gaan vragen.
In hetzelfde jaar, dat Bodfecius tot bisschop werd benoemd,
kwamen de Mooren uit Spanje over de Pyreneën en de-
den een inval in het Frankische rijk. Terstond riep Karei
zijne krijgsbenden bijeen. Niet ver van Poitiers ontmoette
hij de talrijke legerscharen der Mooren. Er had een hevige
strijd plaats. Karel's zwaard woedde als een plethamer onder
de vijanden. Hun aanvoerder Aderrähman sneuvelde, en
daarna sloegen zij op de vlucht. Sedert kreeg Karei den
bijnaam Martel (Hamer). Hij dreef de Mooren over de Pyre-
neën terug, voerde daarna weder oorlog met de Friezen,
liet na den dood van Theodörik IV den koningstroon onbe-
zet, zonder zelf den koninklijken titel aan te nemen, en
stierf in 741 omstreeks vijftig jaar oud.
Kort vó6r zijn dood had Karei Martel bepaald, dat zijne
beide zonen Karloman en Pepijn hem ieder in een deel des
rijks zouden opvolgen; maar nauwelijks was hij overleden,
of de Beieren en andere door de Franken onderworpen volken
verklaarden zich vrij, en tegelijkertijd deden vele aanzien-
lijke Franken er hun ongenoegen over blijken, dat Karloman
en Pepijn zich in navolging van hun vader de koninklijke
macht aanmatigden. De beide broeders lieten daarop een
Merovinger het klooster verlaten, riepen hem als Childerik
III tot koning uit, en verwierven zich daardoor de mede-
werking der aanzienlijken, om de opgestane volken weder ten
onder te brengen. Toen Karloman en Pepijn met hun le-
ger tegenover dat der Beieren stonden, begaf zich de gees-
telijke Sergius, die zich als afgezant van den bisschop van
Rome in Beieren bevond, naar het Franb'sche leger en ver-
bood den hofmeiers in naam van den heiligen Petrus, een