Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
gin en hare dochters werden bediend. Naast de heerenwoning
stonden eene menigte kleinere houten gebouwen, voor de
dienende mannen en vrouwen en voor de handwerkslieden,
alsmede stallen voor het vee en de paarden en schuren voor
het graan. Voor de veiligheid waakte de hofhond. Slechts
het kleinste gedeelte van den bij de hoeve behoorenden grond
werd voor rekening van den heer door vrije of onvrije knech-
ten bebouwd. Het grootste gedeelte werd verhuurd aan vrije
of onvrije huurboeren.
Evenals vroeger de aanzienlijke vrijen, waren ook de ko-
ning en de kerken in 't bezit gekomen van hoorigen en lijf-
eigenen. Die van den koning stonden in hooger aanzien dan
de andere onvrijen, want voor hen werd, evenals voor zijn
vee, een hooger weergeld betaald. Niet zelden werd een
hunner vrijgelaten en aan het hof met eene aanzienlijke be-
trekking bekleed. Hij, wien dit te beurt viel, werd gelijk
gesteld met de edelen. Daar op dezelfde wijze de dienst aan
het hof van een bisschop tot eer en aanzien leidde, wilden
velen, die in tijden van nood hunne vrijheid,ten offer brach-
ten om de bescherming vam een machtig heer deelachtig te
worden, liever hoorigen van den koning of van de kerk wor-
den, dan van andere aanzienlijke beeren.
De hoorigen stonden niet alleen onder de bescherming van
hun onmiddellijken heer, maar bovendien onder die des ko-
xmgs {koningsvrede). Zij moesten daarom evenzeer den koning
als hun heer trouw zweren en koningsdienst, d, i, krijgdienst
en arbeid aan openbare werken verrichten.
Pep ij n van Herstal. Karei Martel.
Pep ij n de Korte.
Gedurende hunne onderlinge oorlogen hadden de Frankische
koningen voortdurend meer macht moeten toekennen aan
hunne voornaamste dienaren, de edelen, en aan de geeste-