Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
vervallen. De Salische wet werd alleen op de Franken en
de met hen gelijkgestelde Galliërs toegepast. De Romeinen
stonden onder hun eigen recht.
Niet slechts koningen en aanzienlijken, ook geestelijken
leidden in de dagen der Merovingers een losbandig leven.
Gregorius van Tours verhaald dat bisschop Cautinus zulk een
dronkaard was, dat hij menigmaal door vier mannen van
tafel moest worden gedragen, en dat hij aanzienlijken door list,
geringen met geweld hun eigendom ontnam. In 't algemeen echter
oefende de geestelijkheid een weldadigen invloed uit. Terwijl
in Brittannië de Romeinsche beschaving geheel te gronde ging
gedurende de anderhalve eeuw, dat de Angel-Saksers, die
het veroverd hadden, heidenen bleven, slaagde de geestelijkheid
erin, de Franken tot het Christendom te bekeeren en door
haar invloed een deel der in Gallië bestaande kennis en kunst
te redden. De bekeerde Germaan bracht zijne vrees voor
toovenaars op de geestelijken over, die het geloof in hem
wisten op te wekken aan een oordeel na dit leven. Als hij
op het punt stond heiligschennis te plegen, overviel hem
somtijds de angst, dat hij plotseling dood zou nedervallen
met omgedraaiden hals, en als hij, toegevende aan dierlijke
driften, moord of diefstal had bedreven, zocht hg somtijds
in dagen van ziekte of rampspoed, zijne misdaden door milde
giften te boeten. Terwijl de hoogere geestelijken als geheim-
schrijvers en raadgevers der vorsten op de beoefening der
Christelijke deugden konden aandringen, hielden de klooster-
lingen zich bezig met het Latijn en al de kunsten, die de
eeredienst noodig had, zooals de bouwkunst, de schilderkunst en
de beeldhouwkunst. Aldus bleef bij hen de lust tot den arbeid
in wezen, die bij de leeken, door het zwervend en krijgvoerend
leven, dat zij leidden, veelal verloren ging. In streken, die door
de oorlogen ontvolkt waren, bouwden Benedictijner monniken
hunne hutten te midden der struiken, die het vroegere
bouwland hadden overdekt. Zij herschiepen de wildernis,
die hen omgaf, weder in vruchtbare akkers, temden het