Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 80 — .
schiedenis van het innerlijke leven der natuur." Zoo men
nu echter het er eenvoudig voor gehouden heeft, dat de na-
tuurwet niets anders is dan het in bepaalde woorden uitge-
drukte verschijnsel, zoo ligt daarin aan den eenen kant de
waarheid, dat de wet uit het verschijnsel moet worden afge-
leid, dat niet wij menschen de natuurwetten te maken heb-
ben, maar dat der natuur hare eigene wetten voorgeteekend
«ijn, die wij van haar moeten leeren. „ De aarde is, onaf-
hankelijk van den mensch, ook zonder hem en Vióór hem, de
schomvplaats der natuurverschijnselen; van hem kan de wet
harer vervormingen niet uitgaan. In eene wetenschap der
aarde moet deze zelve naar hare wetten gevraagd worden (1)."
Aan den anderen kant echter blijft het altijd eene daad van
willekeur, als men op een enkel geval eene wet grondt, en
het is niet anders dan eene daad van geweld, als een enkel
geval tot regel verheven wordt. Onze proeven hebben tot
doel, de verschijnselen zoo eenvoudig en helder mogelijk voor
oogen te stellen, en ons het opmaken van de wet gemakke-
lijk te maken; maar alleen onder die voorwaarde mogen wij
iets als natuurwet vaststellen, dat ook de overige verscliijn-
selen der natuur met onze proef in overeenstemming zijn.
Men zoude zonder overleg handelen, indien men enkel op
éëne proef eene wet wilde vaststellen, en daarna naar voor-
beelden omzien, om de wet op te helderen; het zoude zijn,
alsof men allen zin voor orde en wettigheid voorbedachtelijk
wilde ondermijnen, zoo men, ten gevolge van zijne waarne-
ming, wetten wilde geven, en later eens in de natuur rond-
zien, of zij ook nog ergens anders met daarop antwoordt.
Veeleer is het na het doen en bespreken van de proef de
geschikte tijd om in de ligchamelijke wereld rond te zien naar
analogiën en verwante verschijnselen; eerst hare overeen-
stemming, eerst het ja, door dc meerderheid van deze uit-
gesproken, geeft regt tot het opmaken van de wet. En
even als het nemen van de proef de zinnen van den leerling
moet opwekken en scherpen, zoo zal hij bij het opzoeken
van verwante verschijnselen de door hem gedane waarnemin-
{!) C. Ritter, Erdkujide, Theil I. Inloidinj;.