Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 75 — .
winst, die zicli ook op elk ander gebied van waarneming en
oordeel zal doen gevoelen.
Daarom moet het geheele onderwijs in do natuurkunde zich
aansluiten aan proeven en waarnemingen, die de leerling voor
oogen heeft. „ Men verdeelt gewoonlijk het werk der natuur-
kundigen in waarnemingen en proefnemingen, met dien ver-
stande, dat bij eene waarneming de natuurkundige zijne aan-
dacht vestigt op den loop van een natuurverschijnsel, terwijl
hij bij de proefneming het verschijnsel zelf wil te voorschijn
roepen, of in het klein wil nabootsen, wat de natuur in het
groot volbrengt. Zoo kan men een onweêr waarnemen,
wanneer men zijne aandacht vestigt op do opeenvolging der
verschijnselen; men kan het echter ook in het klein in eene
proef door eene electriseermachine nabootsen (1)." Tot het
waarnemen der door de natuur zonder ons toedoen voortge-
bragte veranderingen, kan echter de plaats van het onderwijs
slechts weinig gelegenheid aanbieden. Bovendien komt in de
natuur nimmer een enkel verschijnsel geheel op zich zelf voor;
de menigte van de gelijktijdig voorvallende verschijnselen maakt
voor den eerstbeginnende het overzigt moeijelijk, en stoort hem
in eene opmerkzame waarneming van datgene, wat niet voor
de natuur, maar voor hem op dat oogenblik het voornaam-
ste moet zijn. De aard eener proefneming daarentegen brengt
het mede, dat slechts die verschijnselen plaats hebben, om
welke het te doen is; dat storende bijomstandigheden verwij-
derd worden, en dat aan de natuur bij voorkeur ééne -wijze
zij overgelaten, waarop zij haren invloed op het ligchaam
kan uitoefenen, waarmede de proef gedaan wordt. De proef-
neming is eene bepaalde vraag aan de natuur, en op deze
behoort een even bepaald antwoord te volgen. Het eene be-
paalde verschijnsel wordt door den proefnemer van deszelfs
onmiddellijk natuurlijk verband met andere losgemaakt, en
tevens teruggebragt tot de eenvoudige wezontlijke voorwaar-
den, waaronder het moet plaats hebben. Het sclüjnt naau-
welijks mogelijk, den aard van eene proef beter af te schil-
(1) Jahn in Marbach'8 yhysik. I.eïicon, I, p. 739.