Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 73 — .
mag, zoo men zich niet wil blootstellen aan het gevaar, om
van den regten weg af te dwalen."
Indien echter alleen langs dezen weg eene levendige ken-
nis der natuur kan verkregen worden, waarom houden wij
dan de kinderen, die moeten leeren dien weg te volgen,
ver er van verwijderd? Waarom scheppen wij er een be-
hagen in hun alles voor te zeggen, in plaats van de kinde-
ren zelven te leeren waarnemen, en aan te zetten om over
het waargenomene na te denken? Mogt men ook in andere
vakken al aanhouden op een regtstreeks indringen van den
leerling in de leerstof; alleen in de natuurkunde ziet men
nog, dat de onder-^vijzer uit den rijkdom zijner aanschouwin-
gen geeft, en de kinderen daaruit laat nemen, of dat hij eene
zegepraal van zijne katechetische voortreffelijkheid meent te
vieren, als hij het algemeene gegeven heeft, en de kinderen
nu bereid vindt om toepassingen op bijzondere gevallen te
maken. Het is alsof de groote paedagoog van de 17« eeuw,
Amos Comeniüs, het verstaan heeft ook latere tijden te
kenschetsen, wanneer hij beweert: „ de meeste onderwijzers
zaaijen planten, in plaats van zaden van planten." Wel is
waar is de katechetische vorm van onderwijzen bij het na-
tuurkundig onderwijs volkomen op zijne plaats; maar de na-
tuur zelve zij ook het boek, wier bijzondere gedeelten daarbij
gebruikt moeten worden. ïln daar het lezen in dat boek niet
de zaak van iedereen is, zoo blijft het een eerste vereischte,
de leerlingen te leeren waarnemen en hunne zinnen gebrui-
ken. „ Het voorwerp, de afbeelding en de proef moeten overal
de tekst zijn, in wiens vertolking de leerling eigene vlugheid
cn behendigheid verkrijgen moet. Waar deze niet wordt ver-
kregen, blijft onmisbaar dat scherpe contrast bestaan, dat
tusschen de loftuitingen op de natuurkundige wetenschappen en
de armzalige resultaten van natuurwetenschappelijk onderwijs
bestaat (1)." „Wonen wij," zegt Comenius(2), „niet even
goed als de vroegeren, in den tuin der natuur? Waarom
(1) DaniEï, t. a. p., f. 280.
(3) In de Voorrede van lijne in 1633 uilgejcvene N'aliiuikundc.