Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 53 — .
tot de populaire natuurkunde, omdat elke trillingsthcorio —
en dat is toch de leer van het geluld — niet buiten mathe-
matische beschouwingen kan. Daarom moeten ook de onder-
zoekingen met het monochordium, de sirène en getande rade-
ren aan de wetenschappelijke natuurbeschouwing overgelaten
worden; de ijzerviool en het strooinstrument behooren tot het
speelgoed, en de beschouwing van het gehoor en het spraak-
orgaan van den mensch tot de natuurlijke historie.
zesde afdeeling.
De warmte.
„ De warmte is door de natuur in den grootsten overvloed
verspreid geworden; zij is overal voorhanden; elk ligchaam
bevat haar in onbegrensde hoeveelheid. Van haren invloed
zijn de oneindig verscheidene vormen afhankelijk, die over
de oppervlakte der aarde verspreid zijn, en tot hare ver-
fraaijing bijdragen. Land, water, lucht kunnen geen oogen-
blik zonder warmte bestaan; zonder warmte zouden zij alle
plotseling in eenen ruwen, vormloozen, vasten en ondoordring-
baren klomp overgaan. De tot eene korst verharde dampkring
zoude den aardbol omringen, en alles, wat liij bevat, in een
eeuwig graf insluiten. Warmte is de moeder en voedster
van alle eindelooze schoonheden der schepping; het planten-
rijk, dierenrijk en dat der delfstoffen zijn hare voortbrengse-
len. Elke vorm in de natuur is of onmiddellijk door hare
inwerking voortgebragt, of blijft door haren invloed bestaan.
Men verwijdere de warmte, en terstond houdt alle leven,
alle beweging en alle vorm op; alles keert tot den chaos
terug. Bij de bewerkingen, die bij kunsten en ambachten
plaats vinden, is de warmte niet minder werkzaam, dan bij
die der natuur. De kunst verandert den vorm der voort-
brengselen der natuur, zij scheidt ze en verbindt hunne dee-
len op nieuw, naar gelang van de behoeften en den smaak
der menschen. Verbindingen worden ontleed, de schadelijke
en nuttelooze bestanddeelen verwijderd, en bij al zulke be-
werkingen is warmte de werkende kracht. Op haar bevel