Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 48 --
met elke wereld verbonden te zijn; maar wij vinden zoowel
in ons als buiten ons getuigen, die bewijzen, dat onze aarde
door eene luchtvormige middenstof omgeven is, die geen ge-
ringen invloed uitoefent op de onderlinge verhouding der stof-
fen, die het uitwendige der aarde zamenstellen (1)."
„ Hoe zoude de oppervlakte der aarde er uitzien, wan-
neer zij niet door eene atmospheer omgeven was? Vooreerst
zoude zij geene verblijfplaats voor levende wezens kunnen
zijn, althans van zoodanige bewerktuiging, als de schepsels,
die haar thans bevolken. Er zoude geene ademhaling moge-
lijk zijn. Slechts gehoorzamend aan de wetten der zwaarte-
kracht, niet door de lucht gedeeltelijk gedragen en gedeelte-
lijk overeind gehouden, zouden de bewoners van eene aarde
zonder dampkring niet die snelle, krachtige beweging der
ledematen, dus ook niet die buigzaamheid van de tegenwoor-
dige schepselen bezitten. Er zouden geene gevederde schep-
selen kunnen zijn, die zich boven de vaste oppervlakte der
aarde konden verheffen. Langzaam en moeijelijk zouden de
schepselen over den bodem voortkruipen. Maar ook zonder
geluid zoude zulk eene aarde zijn, indien de overbrengster
van het geluid, de lucht, ontbrak. Er zoude geen spraak
zijn, en men miste dus het belangrijkste middel der edele
gezelligheid, de mededeeling van denkbeelden. — De planten-
wereld, die door de lucht gedragen, ondersteund en gevoed
wordt, zoude niet kunnen gedijen. Er was geen wind, geen
'regen, geen sneeuw, geen hagel, geen dauw; er waren geene
electrische verschijnselen tusschen de wolken onderling, of tus-
schen deze en de aarde. Er zoude geen verbranding, geen oxyda-
tie op de oppervlakte der aarde zijn; zij zoude dus onverander-
lijk, zonder beweging zijn; alleen onderaardsche krachten
zouden misschien tusschenbeide nog geweldige veranderingen
op de oppervlakte veroorzaken; die langzame doch onafge-
brokene stroom van het worden en' het vergaan, die door de
aanraking der lucht in alle ligchamen op de oppervlakte der
aarde wordt voortgebragt, zoude onmogelijk zijn. Ook de
(1) Dr. Fr. W. IIOFFMAN», Grundzügc ilcr alljcmeinen Erdkamic, Stutt-
gart 185«, p. 48.