Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 40
lingen met eene ontroerde stem aldus aanheffen: „ Rukt de
gordijn weg van het venster, opdat ik mij nog eenmaal ver-
gasten moge in de aanschouwing van de rijke, levendige
aarde. Zestig jaren lang heb ik over de inwendige drijfrade-
ren der natuur, over het onderscheid der stoffen nagedacht,
en heden eerst laat de rhodische genius mij duidelijker zien,
waarvan ik vroeger slechts een duister gevoel had. "Wanneer
het onderscheid in geslacht de levende wezens weldadig en
vruchtbaar aan elkander verbindt, zoo wordt in de anorgani-
sche natuur de ruwe stof door gelijke drijfveêren bewogen.
Reeds in den donkeren chaos hoopte zich de stof op of ont-
week elkander, al naar gelang vriendschap of vijandschap ze
aantrok of afstootte. Het hemelsche vuur volgt de metalen,
de magneet het ijzer; de gewrevene barnsteen beweegt ligte
stoffen; aarde vermengt zich met aarde; het keukenzout zet
zich af uit de zee, en het zure vocht ran de stypteria tracht
zich met de klei te verbinden. Alles in de niet levende na-
tuur tracht zich bij het zijne te voegen (1)."
En welk is nu eindelijk voor het onderwijs het nut van
het geheele hoofdstuk over de inertie? Als de behandeling
onduidelijk is geweest, volstrekt geen; is zij duidelijk genoeg,
dan wint men daarbij niets anders dan de stelling: „iedere
werking moet eene oorzaak hebben," of zooals Melos, p. 15,
zich uitdrukt: „ Niets geschiedt in de natuur zonder genoeg-
zamen grond." Met dit met zooveel moeite verworvene is
men dan weder gelukkig tot de nog algemeenere inleiding
teruggekomen, waarin reeds te vergeefs van natuurkrachten
en hare werkingen gesproken was; men is in eenen kring
rondgegaan, de leerling is niets verstandiger geworden, en
men mag blijde zijn, als hij, in weerwil van den vermoeijen-
den, verkeerden weg, veêrkracht genoeg heeft, om te wach-
ten op de zaken, die nog moeten komen.
Hoe weinig raadzaam het dus ook moge zijn, met de leer
der algemeene eigenschappen de natuurkunde te beginnen,
zoo zoude het toch mogelijk blijven, dat zij eene andere ge-
wigtige plaats kon innemen. Het algemeene is gewoonlyk
(l) Vergelijk Cküger, Naturanschaunng und Naturreligion, 1831,p. 9—13.