Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 37 --
vloo met gemak voortgetrokken werd." Bij de deeibaarheid
spreekt men van de infusiediertjes en iiet draad trekken (1),
van de peperkorrel te Augsburg^ waarin 1200 kleine doosjes
in elkander gesloten waren, van de kersenpit te Dresden met
de 180 daarop uitgesnedene gezigten, of van de fijne naald
op de tentoonstelling te London^ die tevens naaldenkoker voor
tien andere naalden was (2); in eene zonderlinge vereeniging
vinden wij buitengewoon fijne streepjes op glas of metaal
met homoeopathische geneesmiddelen, en de bolletjes in het
bloed der menschen komen in eene verrassende, schoone een-
dragt met het muskusdier, de sympathetische inkt met den
neus van een' hond, die zijnen meester zoekt. Fisciier, die
ons een paar maal met infusiediertjes (p. 8 en 16), en al
zeer vroeg met de vloo en hare geheele verwantschap be-
giftigt, verrast zijne leerlingen daarna nog door de naïve op-
merking (p. 8): „of deze dingen, die aan het fabelachtige
grenzen, er werkelijk zoo uitzien, als ik ze beschreven heb,
kan ik niet juist zeggen, daar ik ze nooit gezien heb." Bij
gelegenheid der cohaesie worden do katapulten en ballisten
der ouden besproken, waarvan de eerste zouden gediend heb-
ben tot schieten, zooals onze kanonnen (?), de laatste tot
het werpen,- zooals onze mortieren (3); de inertie der ligcha-
men maakt men door allerlei wonderlijke kunststukken interes-
sant, daar men bijv. vertelt, dat men eene aan een haar be-
vestigde aarden pijp kan in stukken slaan, zonder dat het
haar breekt; dat, wanneer men met groote kracht een steen
door eene vensterruit werpt, er een rond gat ontstaat, of
dat men met eene kaars door eene dikke plank kan schieten,
waarbij men zich echter in acht moet nemen voor de afvlie-
gende stukken vet (4). Ja, Birnbaum beschrijft zelfs bij de
behandeling der porositeit (5) eene inrigting voor groote boer-
(1) Poppe, Bd. I, p. 24 cn 27. — Fischek, p. 14 en 16. — Uei.ne,
Leilfaden für den Unterricht in der Naturlehre, 1" Cursus, IHldburghauscn,
l'844, p, 2. — Neumamn, Lehrbuch der l'hysik, in zwei Banden, Wien,
1818, Th. 1, p. 450.
(2) Birnbaum , p. 37.
(3) FisciitR, p. 23, 24.
(4j rupi'e, p. 35; verßclijk IIassenstein , (►. 9.
(5) Pag. 57.