Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
men even goed en even slecht passen, als bij de porositeit
of bij de deelbaarheid. liet is immers het wezen der Chris-
telijke godsdienst in don grond miskennen, wanneer men
(Miïlos, p. 416, 417) meent, dat welke methode ook van
physi.schc natuurbeschouwing ooit kan voeren tot zulke po-
sitieve bijbelplaatsen, als: „ AVees getrouw tot in den dood,
zoo zal Ik 11 de kroon van het eeuwige leven geven," of wel:
„ AVIj wachten op de zalige hoop en verschijning van de
heerlijkheid van den grooten God en onzen Verlosser, Jezus
Christus." Door zulke wendingen heeft men niet alleen
aan de natuurkunde, maar ook aan de godsdienst eene slechte
dienst bewezen; mon meende de werkzaamheid van het ver-
stand opgewekt en gespannen te hebben, en plotseling maakt
men eene verkeerd aangebragte wending, om op het gods-
dienstige gevoel te werken. AVat kan men daarbij anders
verwachten, dan dat de eenmaal opgewekte energie van het
verstand zich uite in spotternij en gelach? In de eerste uit-
gave besloot Dieckmann het hoofdstuk over de ondoordring-
baarheid met de woorden; „ Hoe goed heeft God het toch
ingerigt, dat de lucht zich zoo gemakkelijk Iaat wegstooten!"
Kort daarna werd, als eenen treffenden tegenhanger, herinnerd
het gezegde: „ Hoe goed is het toch, dat de iatten juist
daar gaten in het vel hebben, waar de oogen zitten!"
Anderen vertellen bij de ondoordringbaarheid van de dwaal-
lichten, welke voor de moedigen vlugten en de lafaards ver-
volgen (1); van de „schrikkelijke vernielingen bij het in de
lucht springen van kruidmolens", en van „Lawinen, die van
eenen zeer hoogen berg afrollen." ïot bewijs, dat alle lig-
chamen uitgebreidheid hebben, voert Poppe in zijne natuur-
kunde voor de jeugd vermaakshalve aan „ den door eenige
kunstenaars vervaardigden gouden ketting van drie ä vierhon-
derd schakels, welke met eenen daaraan bevestigden massief
gouden kogel, of met een volledig gouden rijtuig met vier
wielen, met daarin zittende kleine menschelijke figuurtjes, of
wel met een gouden op het affiilt rustend kanon, door eene
(I) ItiRNB.vuH, die Begründung der ersten Kenntnisse in der Physik,
Braunschweig, 1841, p. 26. — Poppe^ Katurlehre für die Jugend, I, p. 18.