Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 35 --
schap worden hier achterwege gelaten, daar mon dit beter
zal inzien, als men haren inhoud kent."
eeeste afdeeling.
T)e algemeene eigenschappen der ligchamen.
Men begint doorgaans de natuurkunde zelve met eene be-
schouwing van de algemeene eigenschappen der ligchamen.
De zaak a priori beschouwende, kan men zich niet vrij ma-
ken van een zeker vooroordeel. De natuurkunde moot zich
immers met natuurverschijnselen, wetten en krachten bezig-
houden , hoe kan men daar nu de eigenschappen der ligchamen
te pas brengen? en dan nog wel algemeene eigenschappen?
Men weet het anders toch wel als regel te doen aannemen,
dat men niet met het algemeene moet beginnen, en niet van
het abstracte uitgaan!
En dan nog de praktische behandeling van deze afdeeling!
Om de leer van de algemeene eigenschappen toch maar eenig-
zins aangenaam te maken, heeft men zich evenzeer tot de
nieuwsgierigheid, als tot eene ontijdige vroomheid van de
kinderlijke natuur gewend, en niet alleen het opdisschen van
allerlei curiositeiten en anekdoten, maar ook het aanhalen
van bijbelspreuken te baat genomen. Zoo redeneert Dieck-
mann nog in de 3°. uitgave, p. 5, „ als aansporing tot gods-
dienstige natuurbeschouwing", op de volgende wijze: „ Het
is goed, dat de ligchamen tusschenruimten hebben; zonder
deze zoude men geen kamer door een kagchel kunnen ver-
warmen, geen spijs kunnen koken, geen metaal smelten. —
Hoe schoon heeft God toch alles gemaakt!" Zoo zegt Me-
los, bij gelegenheid van de porositeit (p. 13): „Dit is eene
zeer weldadige inrigting van den Schepper." „ Hij heeft al-
les geordend," zegt Sirach , „ waartoe het bijzonder nuttig
zijn zoude." De afdeeling over de deelbaarheid besluit hij
(p. 15) aldus: „Met regt zegt dus de Schrift: de Heer is
onuitsprekelijk groot, en Zijne magt is wonderbaarlijk. Won-
derbaar zijn Uwe werken, o God! en dat erkent mijne zie-
le!" — Spreuken, die bij elke andere eigenschap der ligcha-
3*