Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— Bi ~
der natuurkunde aan tc voeren, lioe zij „ liet denkvermogen op-
wekt en voedsel geeft, en het dagelijks meer kracl|^ verleent(1);"
hoe zij de praktische oordeelskracht oefent en vooral voor
bijgeloof bewaart. Hoe weinig raadzaam het is, bij deze ge-
legenheid geheimzinnige aanwijzingen van dwaallichten, van
bloed- en steenregens en van vliegende draken te vermelden,
behoeft naauwelijks herinnerd te worden, liet nut echter
der natuurkunde kan slechts hij inzien, die haar kent, en de
kinderen te leeren spreken over het nut van zaken, die hun
onbekend zijn, is niets anders dan hen afrigten tot een ge-
dachteloos praten, en tijd en moeite (2) verkwisten aan eene
stof, waaraan alle moeite vergeefs is, en waarvoor geen an-
der redmiddel bestaat, dan ze over boord te werpen. Als
opmerkingwaardig mogen dus de woorden van Eisenlohr
beschouwd worden: „ De in de inleiding der natuurkunde
gewoonlijk voorkomende lofredenen op het nut dezer weten-
(1) FiSCHEB, p. 3.
(2) Om dc leerlingen de zaak wat minder vervelend en ccniffermate toe-
{jankelijk te maken, vertelt Diegkmanx (die Naturlehre in katechetischer Ge-
dankenfoljre, 8'. Aufl. Altona^ 1842, p. 1.49) hun de volgende geschiede-
nis. » ffcudinand en Herman gingen op eenen winteravond uit, toen juist
een noorderliclit zigtbaar vras. Ferdinajid had nooit onderwijs in de na-
tuurkunde gehad, en vernam eerst van Hebman, die heter onderrigt was,
wat dat voor een verschijnsel was. Ferdinand was eerst bevreesd, doch
zijn angst verdween, toen Herman hem verklaarde, dat dit verschijnsel
volstrekt niets kwaads te beduiden had. Maar de vreugde, die IIeRMAN bij
dit heerlijk gezigt ondervond, en ook daarover, dat hij zich zelf en zijnen
vriend rekenschap kon geven, hoe men dit verscliijnsel verklaarde, en —
toen hij nadacht, hoe nuttig dit verschijnsel was voor de bewoners der
noordelijke streken, die het dagliclit moeterii ontberen —, deze vreugde
miste Ferdinand geheel." Beter dan dit verdichte verhaal, doch bij deze
gelegenheid evenmin aan de leerlingen mede Ie deelcn, is dc volgende ge-
beurtenis, die werkelijk beeft plaats gehad, en het nut van den bliksemaf-
leider bewezen heeft. In Siena was een kerktoren dikwijls door den blik-
sem beschadigd geworden; de kerkbestuurders lieten er een afleider op
plaatsen; de bijgeloovige menigte begon daartegen te schreeuwen en noemde
den afleider de ketterstang, Een onweder kwam op, de bliksem sloeg in
den toren; de menigte stroomde toe om te zien, of de afleider de kerk be-
schut had. En tie, deze had zijne magt zoo volkomen uitgeoefend, dat niet
eens het web van eene spin, die zich er op gevestigd had, in het minst
beschadigd was.