Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 18 --
behandeld, zijn het nog steeds de woorden, die het meest
op don voorgrond geplaatst zijn; de proefneming raakt op
den achtergrond en wordt slechts eene dienarfes der woor-
den, in plaats van op te treden als eene krachtige openbaring
van de natuur, en zich slechts van woorden te bedienen als
een middel om zich voor de menschen verstaanbaar te ma-
ken. Van daar dan ook de inconsequentie, dat de onderij-
zer, volgens hem, menig voornaam gedeelte, bijv. de zuurstof
of de „vaste lucht", geheel zonder proeven moet bespreken,
ja dat hij bij de electriciteit niet alleen geene eenvoudige
fundamenteele proeven doen, maar, volgens de oude methode,
de electriseermacliine, de electrische batterij, en'andere toe-
stellen beschrijven moet, in de hoop dat er leven voortkome
uit de doode woorden. Hoe ligt echter woorden tot dwa-
ling aanleiding kunnen geven, daarvan vindt men bewijzen in
elke afdeeling van het werk. Zoo zegt de onderwijzer, wan-
neer over het water gesproken wordt (p. 25): „Het ijs be-
slaat eene kleinere ruimte dan het water," terwijl men toch
gemakkelijk kan waarnemen, dat, bij het bevriezen van het
water, de flesschen of vaten, waarin het bevat is, barsten;
p. 41: „ De dauw is eveneens niets anders dan neergeval-
lene dampen." Als bewijs van de vloeibaarheid der lucht,
geeft von Türk het volgend gezegde van een kind (p. 100):
„ Indien de lucht een vast ligchaam ware, dan zoude zij blij-
ven waar zij is (?), en niet met zooveel geweld uit het glas
in de hoogte stijgen, als men het onder water houdt," alsof
eene kurk, die in het water naar boven gaat, geen vast lig-
chaam ware. Bijzonder opmerkelijk is de verklaring van het
zwemmen, p. 83: „ Be onderwijzer (terwijl hij met een plank-
je of roeiriem het water naar den eenen kant dringt, waar
dan golven zullen ontstaan): Van waar komen de golven,
die gij hier ziet? Het kind: van den druk van het plankje.
Ond. Juist, het water wordt op deze plaats weggedrongen,
het overige water, dat zich in de nabijheid bevindt, stort
zich op de ledige plaats, en in het water ontstaat een kleine
stroom. Deze stroom of beweging in het water voert de voor-
werpen met zich voort, die op het water drijven, daarop be-
rust de scheepvaart met roer of roeiriemen. Hetzelfde doen