Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 158 — .
men bij den bliksem waargenomen; hy treft voornamelijk me-
talen voorwerpen en levende wezens.
Het onweder. Daar men groote toestellen vervaardigd had,
om de kracht der electriciteit te versterken, en daaruit von-
ken verkreeg, waardoor brandbare ligchamen aangestoken,
metalen gesmolten en dieren gedood werden, zoo kwam de
beroemde Noord-Amerikaan Fkanklin op de gedachte, dat
de bliksem niets anders zoude zijn dan eene groote electrische
vonk. Hij liet, toen een onweder aan de lucht dreigde,
een papieren vlieger opgaan, bond onder aan zijn tonw eenen
sleutel en verkreeg daaruit electrische vonken. — De elec-
triciteit in de lucht ontstaat op eene wijze, die ons niet be-
kend is. De bliksem is eene groote electrische vonk, die
zijnen geheelen weg verlicht, en dien slangsgewijze ver-
volgt, daar hij de lucht zoo te zamon perst, dat zij hem
weerstand biedt, en hem meermalen noodzaakt, van zijn vroe-
geren weg af te gaan. De bliksem slaat meestal in hooge
voorwerpen, en volgt die ligchamen, die de electriciteit het
best geleiden, bij voorkeur metalen. De donder is in het
groot hetzelfde, als het knetteren, dat de kleine electrische
vonken vergezelt. Hij ontstaat daardoor, dat de bliksem door
verre luchfruimten heen breekt, de lucht achter zich verdunt,
en vóór zich zamenperst. Wij hooren den donder later dan
wij den bliksem zien, daar het geluid zich langzamer voort-
plant , dan het licht; hoe meer tijd er dus tusschen het licht
en den slag verloopt, des te langer is de weg geweest, dien
het geluid tot aan ons oor heeft afgelegd, en des te meer is
het onweder van ons verwijderd. Wanneer de bliksem uit
eene ons nabijzijnde onweerswolk inslaat, dan hoort men den
donder als eenen enkelen slag. Snelt echter de bliksem langs
eenen langen en verren weg, op welken hij bij elk terzijde-
springen of verlaten van zijnen weg een nieuwen slag te weeg
brengt, dan volgt eene reeks van zulke donderslagen, en wij
hooren den donder rollen.
De voorname voorzigtigheids - maatregel bij een onweder be-
staat daarin, dat men zich «oo ver mogelijk houdt van hooge
en goed geleidende voorwerpen, zich dus niet onder torens
of alleen staande boomen, en in de huizen niet bij groote