Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 150 — .
Let is oen niet - geleider der electriciteit. Men omwikkele den
eenen draad met zijde, en brenge den anderen daar tegen aan;
de electriciteit zal dan ook niet door de zijde gaan; al was
deze ook nog zoo dun, er zoude zich geene vonk vertoonen.
Neemt men daarentegen een zilveren lepel, en houdt dien met
den steel stijf tegen den eenen draad der keten, en raakt
men met eene andere plaats van den lepel eene blanke plaats
van den anderen koperdraad aan, dan vertoont zich weder
eene vonk; de electriciteit heeft zich langs het zilver een weg
gebaand. Zilver, in het algemeen metalen, en onder deze
bovenal koper, zijn de beste geleiders der electriciteit.
Proef 66. (JDe electro - magneet.) Men laat zich door den
emid een stuk ijzer smeden in den vorm van een hoefijzer;
het zij ongeveer zoo dik als een vinger, elk van de beenen
zij ongeveer zeven duim lang, en de uiteinden effen en glad
gevijld. Als hoofdzaak bij het maken van het hoefijzer zijn
twee zaken in het oog te honden, namelijk, dat het ijzer zoo
week mogelijk zij, en dat het, nadat het de verlangde ge-
daante gekregen heeft, nogmaals in het vuur gelegd, daarin
gloeijend gemaakt, en niet eerder er uit genomen worde,
voor het vuur uit is, zoodat het ijzer langzamerhand, zonder
water, afgekoeld is. Bij deze behandeling blijft het ijzer
week, en gevoelig voor de electriciteit.
Het aldus door den smid vervaardigde hoefijzer wordt met
een zijden, lint, of met een lap zijde, zoodanig omwonden,
dat alleen de beide gladde uiteinden van de beenen vrij blij-
ven. Om den toestel verder in order te brengen, heeft men
nog een koperdraad noodig, ongeveer drie ellen lang. Deze
wordt om het met zijde omwikkelde ijzer gewonden; men be-
gint, terwijl men een eind draads vrij laat hangen, aan het
eene uiteinde van het hoefijzer te winden, windt stevig, en
altijd in dezelfde rigting, voort, en houdt aan het andere
uiteinde van het hoefijzer op, waar men weder een eind ko-
perdraad vrij laat. Van de draadomwin dingen mag geene
enkele de andere aanraken; het is echter voordeelig zooveel
omwindingen mogelijk te hebben, bijv. bij de opgegevene
grootte, 50 tot 80. Nadat het ijzer omwonden is, doet men