Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3 —
zijne proeven grondstellingen der natuurphilosophie wederlegd
had, die door haren hoogen ouderdom geheiligd -waren. Als
bewijs, hoezeer hij daarbij haar bijzonder karakter op den
voorgrond plaatst, kunnen zijne volgende woorden gelden (1):
„ De jeugd goed onderwijzen is niet haar te voorzien met
een mengsel van woorden, spreekwijzen en meeningen, die
men uit verschillende schrijvers heeft bijeengezocht, maar haar
verstand voor de zahen te ontsluiten, opdat daaruit, als uit
eene levende bron, vele kleine beken ontspringen." — Tot nog
toe hebben de scholen het er niet op toegelegd, om, even als
bij de jonge boomen uit eigen wortel loten ontstaan, zoo ook
bij de kinderen neigingen te doen ontwikkelen; maar zij wa-
ren er slechts op uit, dat zij zich met hier of daar afgebro-
kene takken zouden omhangen. Aldus leerde men de jeugd,
in navolging van de kraai in de fabel, om zich met vreemde
vederen op te tooljen. Men toonde haar niet de voorwerpen
zei ven, maar deelde slechts mede, wat de een of ander daarvan
dacht en schreef. — „Bijna niemand," zoo zegt hij later, „on-
derwijst natuurkunde door aanschouwing en proefnemingen. Alle
onderwijzen door mondelinge voordragt van het werk van Aris-
toteles of een ander. In het kort, de menschen moeten zoo-
veel mogelijk aangespoord worden , hunne wijsheid niet uit boe-
ken te putten, maar uit de beschouwing van hemel en aarde,
van eiken en beuken, dat is: zij moeten de voorwerpen zei-
ven kennen en onderzoeken, niet alleen vreemde waarnemingen
van deze voorwerpen en getuigenissen aangaande dezelve."
Deze eisch van den grooten paedagoog stelde voor de be-
handeling der natuurkunde een ideaal, waaraan echter de
praktijk der volgende eeuw weinig beantwoordde. "Wat uit
haar gebied in geleerde scholen voorkwant, verdient naauwe-
lljk vermeld te worden, en eerst toen de Reaalscholen ont-
stonden , begonnen deze wat meer te trachten aan dien eisch
te voldoen.
In de tweede helft der 18® eeuw (1 762) klonk weder verre
in de paedagogische wereld het woord van Rousseau in het
(1) J. A, CoMENii opera didaclica omnia, variis hucusque occasionibu»
scripta. Amstcrd, Anno 1657, IV Vol), fol. I, 91.
1*