Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— HO —
Proef 58. (Iletlichtf/evend gas.) Een apothekersfleschje mot
dunne wanden, of liever een zoogenaamd reageerbuisje van
de grootste soort, vuile men half met fijne houtspaanders, en
sluite de opening door eene kurk, die men, door ze wat te
kloppen, juist passend gemaakt heeft. Deze wordt met eene
ronde vijl doorboord, en eene dunne glazen buis, of een
korte pijpesteel, er doorgestoken, zoodat deze niet ver in het
fleschje steekt. Nu houde men het reageerbuisje, dat men
digt bij de kurk vasthoudt, in een schuinen stand boven de
spiritusvlam. Binnenin vormt zich eene luchtvormige stof, die
uit de buis te voorschijn komt en een onaangenamen reuk heeft.
Houdt men echter een brandend licht voor de opening, dan
begint de uitstroomende stof met heldere vlam te branden.
In het reageerbuisje blijft ten laatste kool over. Men ver-
krijgt dus, door verhitting, uit het hout eene stof, die er
evenzoo uitziet als de gewone lucht, doch door hare brand-
baarheid daarvan verschilt; men noemt alle luchtsoorten gas-
sen; ons gas is lichtgevend gas. Het is dezelfde luchtsoort,
die men in het groot in de gasinrigtingen tot verlichting be-
reidt, door steenkolen in groote ijzeren buizen te verhitten.
Proef 59. (De vlam.) Men steke twee kaarsen aan, en
blaze de eene uit, zoodra zij eene lange pit heeft. Men zal
uit die pit, aan welke door het uitblazen warmte ontnomen
is, eene luchtvormige stof, een gas, zien uitstroomen. Mis-
schien is dit ook lichtgevend gas, zooals in Proef 58 uit
hout bereid werd. Om dit te onderzoeken, behoeft men slechts
de nog brandende kaars er bij te brengen; terstond zal het
uit het kaarsvet stroomende gas ontvlammen, en de kaars
weder beginnen te branden. De vlam bestaat uit brandende
lucht- of gassoorten. Ligchamen, die door verhitting in gas
veranderd worden, branden met eene vlam; alle andere gloeijen
slechts. Uit elke kaars, uit elke brandende lamp, ontwikkelt
zich door de hitte eerst lichtgevend gas; dit brandt en ver-
schaft ons de lichtgevende vlam.
Proef 60. (Kaarsvlam en astraallamp.)
a. Beschouwt men do vlam van eene kaars naauwkeuri-