Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 2 --
en in het ontwarren van holle begrippen, des te levendiger
ontwaakte daarna een sterk verlangen, om tot de ons omrin-
gende natuur terug te keeren, en des te merkbaarder werd
de onnatuurlijke dwang, welken men der jeugd aandeed, door
haar eene doode en verjaarde boekenwijsheid als voedsel toe
te reiken, in plaats van het levende water, dat uit de fris-
sche bron der natuur als natuurlijkste vormingsmiddel in eenen
nooit opdroogenden overvloed te voorschijn komt. Maar juist
de plaats der eigenlijke natuurkunde (Fhysica) onder de we-
tenschappen, die tot het gebied der school behooren, was
eene der onzekerste en bedenkelijkste; want zij vooral was
onder alle natuurwetenschappen nog in de dagen van hare
kindsheid. "Wel bestond reeds onder den naam van natuur-
kunde eene wetenschap, die geheel verschillend was van elke
ervaringswetenschap, en de meest afgetrokkene bespiegelingen
omvatte over het wezen van ruimte en tijd, over begrippen,
zooals die van oorzakelijkheid en doelmatigheid, van veran-
dering en worden; maar deze moest eerst van hare plaats
verdrongen, van haren aangematigden naam beroofd, en als
datgene aangewezen worden, wat zij was, namelijk natuur-
pMlosophie. De natuurkunde, die met jeugdige kracht zich
tegenover haar plaatste en rustig voortstreefde, verkreeg
echter door de wijze, waarop zij zich ontwikkelde, door het
doen van proeven, hetgeen als 't ware eene zamenspraak is
van den menschelijken geest met de natuur, een karakter,
dat haar buiten allen twijfel als ervaringswetenschap op vaste
grondslagen vestigde, en tevens eene eigenaardige bekoorlijk-
heid, die ter naauwernood eenigen twijfel kon overlaten, hoe
zij moest behandeld worden; te meer, daar deze wijze van
behandeling in volkomene overeenstemming was met de steeds
meer tot helder bewustzijn gerakende algemeene beginselen
van het onderwijs.
Daaraan mag men het dan ook toeschrijven, dat reeds de
beroemde paedagoog van de 17» eeuw, Amos Comenius, deze
wetenschap opnoemt onder die, tot welke het onderwijs zich
behoort uit te strekken, weinige jaren nadat Gahlei, dien
men als den grondlegger der tegenwoordige natuurkunde be-
schouwt, te Pisa zijne groote ontdekkingen gedaan en door