Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 135 — .
boven nog eene luclitkolom, die verscheidene mijlen hoog is.
Deze luchtkolom is even zwaar als de lange kwikkolom, en
maakt met deze evenwigt. "Wordt de lucht op den een of
anderen dag zwaarder, dan klimt het kwikzilver; want, als
wij aan eene balans de eene schaal meer belasten, dan stijgt
de andere. Wordt daarentegen de lucht ligter, dan drukt zij
het kwikzilver niet zoo hoog op, en do barometer daalt.
Om dit klimmen en dalen van het kwikzilver naauwkeurig
te kunnen waarnemen, meet men de hoogte van de kwikko-
lom, van de oppervlakte van het kwikzilver in het bolletje af,
en verdeelt die ruimte in duimen, en van den 72®'™ tot den 79"°°
duim ook in strepen. Staat het kwik 760 strepen hoog, dan
hebben wij gemiddelde luchtdrukking; 780 is een hooge, 740
een lage barometerstand.
De larometer als weerglas. Bij ons doen gewoonlijk ooste-
wind en noordewind den barometer klimmen; deze winden ko-
men over eene groote streek lands, en brengen drooge lucht
aan, en daarom wordt het gewoonlijk goed weder, als de
barometer klimt. Weste- en zuidewinden doen den barometer
dalen, en brengen, daar zij over groote zeeën tot ons ko-
men, vochtige lucht mede; daarom valt er dikwijls regen, als
de barometer daalt. Daar echter de barometer eigenlijk slechts
aantoont, of de zwaarte van de lucht toeneemt, of wel af-
neemt, en het weêr ook nog van vele andere oorzaken af-
hangt , zoo komt er ook wel regen, al klimt dc barometer.
Peoef 53. (De luchthlep en de blaasbalg.) Daar men de
aanschouwing van eene klep bij het bespreken van de pomp
en de brandspuit niet wel missen kan, zoo doet men wel, te
dien einde den blaasbalg, zooals hij zich in elk huishouden
bevindt, te laten beschouwen. De blaasbalg heeft aan den
bovenkant eene opening, waaronder zich eene klep bevindt,
die zich kan openen en sluiten. Trekt men den blaasbalg op,
dan verdunt men de lucht, die zich er in bevindt; de buiten-
lucht drukt tegen de klep, opent ze, en vult den blaasbalg.
Drukt men daarentegen den blaasbalg ineen, dan drukt de
binnenin verzamelde lucht tegen de klep, doch kan deze niet
openen, daar zij alleen naar binnen opengaat, cn dus voor