Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 128
den, en wel omgekeerd en verkleind. Deze toestel, die hier
in haren eenvoudigsten vorm, zooals ieder ze met geringe
moeite kan vervaardigen, beschreven is, heeft den naam van
donkere kamer, of camera ohscura.
De lichtbeelden. De beelden, door de donkere kamer voort-
gebragt , zijn zeer duidelijk en hebben zuivere omtrekken; men
wenschte dan ook reeds sedert lang, ze op de eene of andere
wijze te kunnen vasthouden en bewaren. Men wist, dat het
zonnelicht de kleuren der ligchamen kan veranderen; dat vele
kleuren er door bleeker worden, en dat het grijze linnen door
hetzelve gebleekt wordt, en eene witte kleur krijgt. Het kwam
er echter op aan eene zeer gevoelige stof te zoeken, die in
korten tijd door het licht veranderd werd. Zulk eene stof
vond de Franschman Dagueere, die daardoor de uitvinder
werd van de lichtbeelden (photographiën) of zoogenaamde
daguerreotypen. Hij nam eene verzilverde koperen plaat, en
legde deze, nadat zij zorgvuldig schoongemaakt was, op een
porseleinen schaaltje jodium, eene voor het licht hoogst-
gevoelige stof. Daaruit stijgen dampen op; deze jodiumdam-
pen zetten zich tegen de verzilverde plaat af, en geven er
eene goudgele of paarsche kleur aan. Nu neemt men eene
camera obscura, neemt daaruit het matte glas, of het door-
schijnende papier weg, waardoor anders het beeld van de
voorwerpen werd opgevangen, en stelt daarvoor de met jo-
diumdampen overtrokkene zilveren plaat in de plaats. Hierop
valt nu het beeld; op de heldere plaatsen van hetzelve wordt
het jodium door het sterkere licht weder verdreven, en daar-
toe zijn weinige oogenblikken voldoende. Neemt men de plaat
uit de donkere kamer, dan kan men nog geen beeld onder-
scheiden; legt men ze echter boven eene met kwikzilver over-
trokkene en een weinig verwarmde metalen plaat, dan zet
zich het kwikzilver in uiterst fijne kogeltjes op de heldere
plaatsen van het beeld af, daar, waar het zilver door het
licht van het jodium is bevrijd geworden, en het beeld komt
duidelijk te voorschijn. Opdat echter het nog aan de plaat ge-
blevene jodium verder geene verandering door het licht onderga,
dompelt men het in eene kokende zoutoplossing, die alle jodium,
dat nog aan het zilver was blijven zitten, oplost en wegneemt.