Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 126 — .
gesloten, en slechts aan eenen kant open. Aan dezen kant
kan men er een ander, dat een weinig kleiner is, doch er
naauwkeurig in past, in schuiven, evenals bij een verre-
kijker de eene buis in de andere kan geschoven worden. Dit
kleinere kastje is ook van boven gesloten, en evenals het
grootere zonder achterkant; zijn voorkant moet echter niet
gemaakt worden van bordpapier, maar van zeer dun wit pa-
pier, of geolied schrijfpapier. Boort men nu midden door
den voorwand van het buitenste grootere kastje met eene
naald een gat van de grootte van een speldekop, dan zullen
de lichtstralen, welke de ligchamen, die zich daarvoor be-
vinden, afzenden, door de opening heen dringen, en op het
dunne papier vallen. Daar echter de vier wanden van het
kleine kastje alle lichtstralen, die op zijde zouden kunnen in-
dringen , en tot het dunne papier geraken, tegenhouden, zoo
komen tot dit papier volstrekt geene andere stralen, dan die,
welke door de kleine opening indringen.
Houdt men den toestel met den doorboorden voorkant naar
het daglicht, dan zal men, bij eene geschikte plaatsing van
het kleine kastje, dat juist daarom moet kunnen worden heen
en weer geschoven, alle eenigzins helder verlichte voorwer-
pen op het doorschijnende papier afgebeeld zien, voorname-
lijk het venster of door de zon beschenen gebouwen, en wel
met hunne eigene kleur, doch omgekeerd. Daaruit volgt dus,
dat werkelijk alle voorwerpen licht, en wel gekleurde lichtstra-
len van zich afzenden, en juist daardoor ons zigtbaar worden.
Maar hoe komt het, dat de beelden omgekeerd zijn? Wij
plaatsen eene brandende kaars voor de opening in den voor-
kant. Van de bovenste punt van de vlam gaat een straal
door de kleine opening naar beneden en komt tot eene lagere
plaats van het doorschijnend papier; omgekeerd gaan de stra-
len van het onderste deel der vlam door de opening schuin
naar boven. Het licht moet zich dus omgekeerd afbeelden,
daar de van hetzelve uitgaande stralen elkander doorkruisen.
Proef 44. (De kleine omgekeerde heelden door bolgeslepene
glazen.) Denken wij ons nu, in plaats van de opening van
den bij de voorgaande Proef gebruikten toestel, daarin een