Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 125 — .
naar het eenigzins verwijderde licht; daarna schuive men het
glas schielijk van voor het oog weg. Bij eene opmerkzame
waarneming zal men gemakkelijk bevinden, dat het licht in
de werkelijkheid verder verwijderd is, dan het door den bril
scheen. Door bolgeslepene glazen beschouwd, schijnen ons
dus de voorwerpen digter bij te zijn.
S. Vele menschen onderscheiden alleen die voorwerpen,
die slechts weinig van hun oog verwijderd zijn; deze zijn
bijziende. Een holgeslepen glas brengt verwijderde voorwer-
pen digter bij het oog; daarom zijn de holle glazen goede bril-
leglazen voor bijziende menschen. Is echter het glas al te hol
geslepen, of, zooals men gewoonlijk zegt, te sterk, dan zoude
het de voorwerpen al te digt bij het oog brengen en het ge-
wennen , op nog geringeren afstand te zien, dan het gewoon-
lijk ziet, en hierdoor de kortzigtigheid nog vermeerderen.
Daarom moet men bij de keus van eenen bril voorzigtig zijn;
daarom is een bril schadelijk voor gezonde oogen, en daarom
zijn er geene conservatie - brillen mogelijk. Gewoonlijk rekent
men de sterkte der brillen naar nummers, welke de gezigt-
kundigen er aan geven; hoe lager nummer, des te sterker bril.
Proef 42. (De optica.) Men vertoont den kinderen eene
zoogenaamde optica van gewone constructie. Men maakt hen
eerst opmerkzaam op het ■ beeld, dat ontstaat van de te be-
schouwen landschappen door den spiegel, die aan het boven-
ste schuine gedeelte van den achterkant is aangebragt. Te
dien einde neme men eene van de afbeeldingen, en legge deze
zoo op de tafel, dat zij voor den toeschouwer het onderste
boven staat, en houdt daarboven met de hand een spiegel in
dergelijken schuinen stand, als de spiegel in de optica heeft.
Men ziet het landschap in den spiegel overeind. Ten tweede
moet men acht geven op het bolgeslepene glas aan den voor-
kant van het instrument, waardoor het beeld in den spiegel
zich vergroot en verder verwijderd vertoont. (Zie Proef 40.)
Proef 43. (De omgekeerde beelden in eene donkere ruimte.)
Men make een kastje van bordpapier, ongeveer een palm
breed en hoog, en anderhalven palm lang. Het zij van boven