Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 123 — .
ons oog lichtstralen afzendt; deze gaan echter thans niet meer,
zooals straks, enkel door de lucht, maar zij gaan door het
water, en uit het water in de lucht, en zoodra zij uit de
eene doorzigtige stof in de andere geraken, veranderen zij
hunne rigting; hun weg is niet meer eene regte lijn, maar
eene gebrokene lijn.
h. In een kopje legt men een stuk geld. Men plaatst zich
zoo, dat men in het kommetje ziet, maar dat het stuk geld
juist door den bovenrand van het kopje voor het oog verbor-
gen blijft. Laat men nu door een ander water in het kopje
schenken, dan schijnt het, dat het geldstuk opgeligt wordt,
en men zal het zien, zonder dat het oog van plaats verandert.
De van het geldstuk uitgaande lichtstralen nemen dus thans
eenen anderen weg, dan vroeger, eenen weg, die eene ge-
brokene lijn vormt.
Analoge verschijnselen. Heldere wateren schijnen ons altijd
minder diep, dan zij inderdaad zijn, dewijl door de straal
breking de grond als 't ware opgeligt schijnt, en evenzoo
schijnen de visschen in het water altijd op eene hoogere plaats,
dan zij zich werkelijk bevinden.
Proef 40. (Het bolgeslepen brilleglas.)
a. Even als de weg van bet licht veranderd wordt, als
het uit het water in de lucht overgaat, zoo verandert ook de
rigting van de stralen door dikkere glazen, bijv. door bolge-
slepene glazen, en de voorwerpen zullen ons daarom, door
een zoodanig glas beschouwd, geheel anders toeschijnen, dan
zij werkelijk zijn. Om het gewigtigste hiertoe behoorende ver-
schijnsel waar te nemen, neme men een aan beide kanten bol-
geslepen brilleglas, of het brandglas, bij Proef 25 gebruikt,
en steekt, om een voorwerp te hebben van waar zeer vele
lichtstralen uitgaan, en zich daardoor zeer duidelijk vertoont,
eene kaars aan. Vervolgens sluite men één oog, houde het
brandglas voor het andere en kome nader bij het liclit tot op
eenige duimen. Men zal het licht in denzelfden stand over-
eind waarnemen, maar vergroot. Daarom dienen de bolge-
slepene glazen als vergrootglazen.
b. Daarbij is echter nog eene omstandigheid onopgemerkt