Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 119 — .
vormig gebogen teentje, of om een spaansch rietje. Onderaan
hangt men door middel van dun ijzerdraad (piano - snaren) eene
schaal van dun blik, hierin wordt spiritus gedaan en aange-
stoken. De ballon zal goed en snel opstijgen, zoodra de
daarin bevatte lucht door de spiritusvlam genoegzaam ver-
warmd is.
Peoef 35. (Luchttrek en wind.) Men opene de deur tus-
schen eene verwarmde en eene niet verwarmde kamer; weldra
zal men een kouden trek van de lucht aan de voeten gevoelen.
■De lucht in de kamer was warmer, de koude lucht moet dus
onder aan de deur uit de niet verwarmde kamer uitstroomen.
Houdt men nu eene brandende kaars, of het in Proef 34 ge-
bruikte goudblaadje, beneden in de openstaande deur, dan
wendt zich dit werkelijk naar de warme kamer, ten bewijze,
dat inderdaad koude lucht daarbinnen stroomt. Houdt men
daarentegen het goudblaadje boven in de deur, waar de lucht
warmer is, dan keert het zich naar buiten, en wijst daardoor
eene beweging van de warmere lucht naar buiten aan.
Analoge - verschijnselen. Treedt men uit de zon in de scha-
duw, dan voelt men ook een luchttrek; de bij brand ont-
staande trek van de lucht, de schoorsteenen.
Wet. De warmere lucht stroomt naar boven, en beneden
stroomt koudere lucht naar de warmtebron toe.
De winden. Dezelfde strooming van de koude lucht naar
warmere plaatsen der aarde heeft voortdurend in het groot
plaats. Boven eene warme streek van den aardbodem moet
de lucht opstijgen, en digt aan de oppervlakte van den grond
dringen andere luchtstroomen er voor in de plaats. Daardoor
is de lucht voortdurend in beweging; deze stroomingen noe-
men wij winden, en zij ontstaan meestal door sterkere ver-
warming van eenige plaats van den aardbodem. Zeer regel-
matig toonen dit de aan de kusten heerschende land- en
zeewinden; bij dag waait daar een wind van de zee naar het
land, daar dit door de zonnestralen sterker verwarmd wordt;
na zonsondergang echter blijft het water langer warm, ter-
wijl het land sneller bekoelt; daarom waait de wind dan naar
de zee toe.