Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 114 — .
omdat beide slechte geleiders voor de warmte zijn, kunnen
blijven vasthouden zonder zich te branden, al wordt ook het
andere uiteinde door de spiritusvlam roodgloeijend.
Analoge verschijnselen. IJzeren kagchels worden schielijk
warm; onze kleederen houden, als slechte warmtegeleiders,
de warmte van het ligchaam tegen; dubbele vensters en dub-
bele deuren houden de warmte van het vertrek tegen, daar
de zich daartusschen bevindende luchtlaag een slechte gelei-
der is; de sneeuw doet het jonge zaad, het stroo de daar-
mede omwikkelde pomp of boom hunne warmte behouden.
Evenzoo beschutten de houten handvatsels aan strijkijzers, of
aan metalen koffijkannen, onze hand, en beschut een stukje
papier, dat men onder een glas op de kagchel legt, dit voor
de hitte; glazen, waarin wij bij vele proeven koken, plaat-
sen wij nooit onmiddellijk op een metaalblik, maar bedekken
dit eerst met eene laag zand.
Proef 32. (Uitzetting der ligchamen door warmte.)
a. Een kookfleschje, of een apothekersfleschje, wordt ge-
heel met water gevuld en op een drievoet geplaatst, nadat
men er een metaalblik overheen gelegd en daarover eene
vingerdikke laag zand gestrooid heeft. Men brengt het wa-
ter door eene spirituslamp aan het koken; reeds voordat
het kookt, zal er wat water overloopen; warm water heeft
dus meer plaats noodig, of neemt eene grootere ruimte in,
dan koud water.
b. Men neemt eene niet al te groote blaas; zij bevat lucht,
doch heeft vouwen en rimpels, daar zij, hoewel toegebonden,
niet geheel met lucht gevuld is. Deze blaas houdt men op
eenigen afstand boven de spirituslamp. De lucht in de blaas
wordt verwarmd; de blaas wordt gespannen en strak. Door
de warmte wordt dus de lucht uitgezet.
Analoge verschijnselen. Roodgloeijende bouten vullen bijna
het geheele strijkijzer, hoewel zij aanmerkelijk kleiner waren,
voor zij in het vuur gelegd werden; eene pan, die, koud
zijnde, juist door de opening van een oven kon geschoven
worden, laat zich, warm, niet weêr er uittrekken; door de
verwarming is zij grooter geworden; een ijzeren hoepel, dien